Miniaturen,’ in het klein’ staat er in het woordenboek. En dat is wat je hier vindt, doorkijkjes, observaties, dingen die me raken. In het klein.

Brugge
De Sint-Salvatorskathedraal, gewijd aan de Verrezen Zaligmaker en aan Sint-Donatiaan is de hoofdkerk van het bisdom Brugge. De kerk is enorm. De wanden zijn behangen met meters lange schilderijen, rijk versierde kazuivels hangen in een ‘Galerij van schatten’ en het en der liggen mannen opgebaard in steen en marmer. Dwars door al die pracht en praal klinkt het orgel dat net aan een concertje is begonnen. De muziek schalt door de kerk. Terwijl ik rondloop zie ik vanuit mijn ooghoek een nisje dat in de schaduw ligt. In een vitrine hangt een wit jurkje dat van een meisje zou kunnen zijn. Het is een tikje beschadigd en lijkt kwetsbaar, als brokaat. Naast het jurkje hangt de tekst: ‘Om nooit te vergeten het lijden, sterven en uitzien naar erkenning en opstanding van slachtoffers van seksueel misbruik in de Katholieke Kerk.’ Later lees ik dat het een glazen doopkleed is, gemaakt door Ingrid Rosschaert. ‘Kun je onschuldiger zijn dan op het moment van je doopsel?’ zegt ze. ‘Het kleed moest een beetje geschonden zijn, maar niet teveel.’ De bisschop van Brugge onthulde het beeldje op stille zaterdag. ESSE EST PERCIPI werd het genoemd, ‘Zijn is waargenomen worden.’
23 april 

Fietsenstalling 
Sinds ik met pensioen ben, gebruik ik de grootste fietsenstalling van Nederland vrijwel alleen nog buiten de spits. Wat een rust. Op mijn dooie akkertje fiets ik de kelder in, check in en fiets naar etage 1. Vroeger, in de drukke tijd, vond ik altijd een plaatsje in stalling nummer 61, 62 of soms 63. Maar tegenwoordig fiets ik door naar 80 of 81. Wat kan mij dat extra loopje schelen. Het eerste rek bij nummer 81 is vandaag vrij, mazzeltje. Ik trek de stang naar voren en til het voorwiel van mijn fiets erin. Rechts van me piept een jonge man met fiets tevoorschijn. Wil hij mijn plekje? Ik kijk hem vragend aan. In mijn mond ligt het zinnetje ‘ik ga mijn fiets hier parkeren, hoor’, al klaar. Maar hij blijft vriendelijk wachten, kijkt en zegt dan: ’Zal ik even helpen?’ Ik schiet in de lach. ‘Nee, dank je, maar wat lief dat je het vraagt.’ Hij loopt door naar een volgende lege plek. ‘Zie ik er zo oud, onhandig of hulpbehoevend uit’, denk ik, terwijl ik mijn fiets op zijn richeltje wurm, het geheel naar boven duw en het slot sluit. Langs de jongeman loop ik richting treinen. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat hij worstelt om zijn fiets langs een andere fiets te duwen. Ik blijf staan en kijk. ‘Hulp nodig?’ vraag ik dan.
6 april 2024

Boekenweek
Mijn wandeling brengt me naar de grote boekwinkel in de stad en ik realiseer me dat ik hier nog nooit binnen ben geweest. Ik ga altijd naar de andere, kleinere winkel. Maar het is boekenweek, en nu ik hier toch voor de deur sta. Een beetje aarzelend loop ik door de verschillende afdelingen, pak her en der een boek op, leg het weer terug, werp een blik op de kinderboekenafdeling en bekijk de reisboeken. Besluiteloos kijk ik om me heen, draai me om en loop naar buiten. Dan valt mijn oog op een boek boven op een stapel. Of eigenlijk op de titel. ‘In de man zit nog een jongen’. Mooi! Een biografie over Willem Wilmink. Verbaasd pak ik het op, ik dacht dat ik alles van hem had en nog gelezen ook. Maar misschien is er onlangs iets nieuws verschenen. Ik houd niet alles in de gaten. Zonder verder nog na te denken loop ik met het boek naar de kassa. De vrouw die afrekent kijkt nauwelijks naar het boek. Stiekem hoop ik op een opmerking als ‘Wat een heerlijk boek heeft u uitgekozen’, of zoiets en dat we dan aan de praat raken, over het boek natuurlijk. Maar niets van dat alles. Misschien is ze moe, staat ze daar al de hele dag en kan ze even geen boek meer zien. Thuis leg ik het boek op tafel en loop naar de kast, zoek de boeken van Wilmink. Er staat een heel rijtje, ‘Verzamelde liedjes en gedichten deel 1 en 2’, Verzamelde verhalen’, ‘Handig literatuurboek’, Zelfportret in brieven’, ‘Ik droomde dat ik wakker was’, ‘Ik snap het’, en ja hoor: ‘In de man zit nog een jongen’.
21 maart 2024

Narcissen 
Bij de grote supermarkt kun je voor een paar euro een bosje narcissen kopen, vertelt mijn moeder. Een mooi doel voor mijn middagwandeling, denk ik en wandel naar de grote straatweg. De bloemen liggen een beetje treurig in een kartonnen doos, maar met wat water zijn ze nog wel op te lappen, lijkt me. Ik koop een paar bosjes. In een opwelling geef ik een bosje aan de zwerver die voor de deur een beetje lusteloos op een wit gitaartje zit te spelen. Het is eigenlijk meer plukken wat hij doet. Zijn haar is donker en zit vol klitten. Hij zit met zijn knieën hoog opgetrokken en staart voor zich uit. Een beetje verbaasd pakt hij het bosje aan en houdt het besluiteloos in zijn hand. ‘Het is niet om  op te eten,’ zeg ik, maar hij lijkt me niet horen. Ik wandel door. Als ik omkijk zie ik hoe hij het bosje in een leeg bekertje zet, dat voor hem staat. Het bekertje valt direct om. Hij pakt het bosje weer op, kijkt ernaar, laat het in zijn hand bungelen en legt het dan aarzelend op zijn been. Misschien had ik beter een broodje voor hem mee kunnen nemen.
13 maart 2024

Sleutel
‘Ik herinner me dat ik de allereerste keer alleen naar school liep. Ik wist precies hoe ik moest lopen. In de weken daarvoor had mijn moeder mij de weg gewezen.’ Hij kijkt me met zijn donkere ogen glimlachend aan. “Bij die dikke boom ben je ongeveer op de helft,” vertelde ze. “En bij het hoge huis met de zwart ramen hoef je alleen nog maar linksaf en dan ben je er.” Amir komt uit Damascus en zoekt zijn woorden zorgvuldig. ‘Onder mijn trui droeg ik de sleutel van ons huis. Mijn ouders werkten beiden en ik zorgde voor mijn jongere broer en zusje. Ik voelde altijd met mijn hand in mijn nek of die sleutel er nog hing.’ Onwillekeurig gaat zijn hand naar zijn nek. Hij lacht als hij beseft wat hij doet. Amir is 32 jaar en woont sinds een paar jaar met zijn vrouw in Utrecht. ‘We wachten met kinderen krijgen tot we genoeg verdienen om ze goed op te vangen. ‘Zodat ze niet met een sleutel naar school hoeven,’ zeg ik. Hij knikt. Een licht rood kleurt zijn wangen. Even zwijgen we. Mijn ogen blijven hangen op het geborduurde kleed op de wand voor me. Herinneringen uit de wijk verzameld door bezoekers van deze Voorkamer. Ik voel hoe hij naast me gaat verzitten en me aankijkt. ‘En nu jouw verhaal!’
11 februari 2024

Stadse vogels
Ik heb me laten verleiden tot het kopen van een zakje pinda’s voor de vogeltjes. Dat doe ik zelden, want mag je vogels wel voederen? Bestaat er niet een wijsheid dat alleen de sterksten het halen, en dat je daar niet aan moet morrelen als mens. Maar het is koud en de koolmeesjes hebben het moeilijk. Bovendien verheug ik me op wat spektakel rondom mijn Frans balkon. Dus hang ik het zakje aan een bloempotvrije spijker. Dan schuif ik mijn stoel voor het raam en wacht. Het duurt lang en ik ben de pinda’s al bijna vergeten, als er een koolmeesje langs fladdert. Uit zijn ooghoek kijkt hij, draait zijn kopje en landt dan aarzelend op het zakje. Hij snuffelt aan de pinda’s, tilt zijn snavel een tikje op en fladdert weer weg. Zijn ze niet goed? Is het hem te min? Na een tijdje komt hij terug, twijfelt opnieuw en kijk naar mij. ‘Is dit alles?’ lijkt hij te vragen. ‘Ik ben wel een stadsvogel. Ik ben gewend aan lekker spul.’ Ik kijk terug. ‘Dit is het, jochie. En als dit niet goed genoeg voor je is, eet ik ze zelf wel op.’ Een tikje verontwaardigd vliegt hij weg. Pas als het begint te schemeren komt hij terug. Zonder mij een blik waardig te keuren, gaat hij op het zakje zitten, pikt een stukje noot in zijn bekje en vliegt weg. Ik hoor hem nog net ‘dan eet ik het zelf wel op,’ mompelen.
8 januari 2024

Mevrouw
Omdat er vandaag een museum op het programma staat, breng ik een bezoekje aan het Twents Rijksmuseum. Het dreint en de dag is grijzer dan grijs. Ik blijf lang kijken naar een filmpje van een man (of een vrouw, ik weet het niet zeker) die met eindeloos geduld zandpatronen maakt op de vloer. Zijn hand boetseert als een slagroomspuit waar het zand traag doorheen glijdt. Na mijn rondgang kijk ik nog even in het winkeltje. Ik koop een kaart met een winters landschap van Avercamp, altijd leuk om te versturen. ‘En dan nu de regen weer in,’ zeg ik als ik heb afgerekend. De mevrouw achter de kassa kijkt naar buiten. ‘Vies,’ zegt ze en ik knik. Even blijven we zwijgend samen staan, alsof we wachten op een seintje om weer in beweging te komen. Dan schud ik me los, knoop mijn jas vast en loop naar buiten. ‘Dag mevrouw,’ roept ze me na. En even voel ik me een mevrouw die net het museum heeft bezocht. In mijn lange sjieke jas en mijn kekke paarse mutsje. Glimlachend loop ik de miezerige dag weer in.
8 december 2023

Baliekluiver
Per ongeluk ben ik bij proeflokaal De zes vaatjes beland. Het zat niet in een plan maar nu ik hier toch ben, blijf ik even staan. Wat hebben we hier vaak gezeten, pratend, een biertje drinkend. We dronken vast niet veel, want daar hadden we het geld niet voor. Maar het was een soort privilege om hier binnen te mogen. Oude Appie zal wel niet meer leven, peins ik. Een rustige oude man met een vriendelijk gezicht. En zijn zoon Bert, die was er ook altijd. Zou hij hier nu het heft in handen hebben? Op hetzelfde moment komt een wat oudere man aanlopen met een grote boodschappentas in zijn hand. Hij ziet mij staan, kijkt, wil doorlopen, maar blijft opnieuw staan. ‘Ben jij Bert?’ Hij knikt. ‘Ik kwam hier vroeger regelmatig,’ zeg ik. Hij kijkt me nadenkend aan. ‘Ik herken je gezicht,’ zegt hij. ‘Knap,’ zeg ik, ‘het is zeker 40 jaar geleden dat ik hier voor het laatst was.’ Hij haalt zijn schouders op en vertelt hoe zijn vader alzheimer kreeg, hoe hij voor hem zorgde en dat hij nu eigen jenever stookt. Ik kijk naar hem terwijl hij praat. Herinneringen drijven boven. ‘Mijn vader bedacht het kruidenbitter De Baliekluiver.’ ‘Dat weet ik nog,’ zeg ik, ‘dat was een lekker drankje.’ ‘Er staat een beeld  van de baliekluiver op de Gaardbrug,’ zegt Bert trots. ‘Daar heeft mijn vader nog voor gezorgd.’ Enthousiast vertelt hij over de jeneverproeverijen die hij sinds corona organiseert. ‘Verkoop je die baliekluiver nog?’ vraag ik midden in zijn verhaal. Hij wijst naar het winkeltje. ‘Maar ik ben nu nog niet open’. ‘Dan kom ik binnenkort een flesje bij je halen,’ zeg ik. Ik glimlach als ik verder wandel. In gedachten ben ik bij vroeger tijden en komende koude winteravonden. 
26 oktober 2023

Bushokje
Het waait aardig en de wind lokt me al de hele dag naar buiten. Met mijn haren los en het windjack open, loop ik kris kras door mijn deel van de stad. Steek drukke straten over, manoeuvreer langs bouwwerkzaamheden en bewonder nieuwe huizen. Ik wil wel even zitten, maar vind niets wat zich daarvoor leent. En dan zie ik een bushokje. Ik heb zo vaak in bushaltes gestaan en ongeduldig of laat in de avond op de bus gewacht. Wat leek het me heerlijk om eens gewoon in dat hokje te zitten, zonder op een bus te wachten. Op de informatieborden te kijken, zomaar zonder reden. Met een simpel handgebaar aangeven dat de chauffeur wat mij betreft door mag rijden. Ik plof neer op het bankje en staar wat voor me uit. Gewoontegetrouw kijk ik regelmatig in de richting van waar een bus kan komen. De zon schijnt, de wind waait de haren voor mijn gezicht. Er rijden veel auto’s langs, maar er passeert geen enkele bus. Welke bus stopt hier eigenlijk, denk ik en bekijk het hokje wat oplettender. Dan pas zie ik dat er nergens informatie te vinden is. Blijkbaar is dit bushokje helemaal niet meer in gebruik. Of zou het bedoeld zijn voor mensen zoals ik.
20 september 2023

Heel oude mensen
‘Heeft u belangstelling voor een handige wc-pot’, vraagt de meneer die waarschijnlijk op zijn zoveelste beurs zijn zoveelste praatje afsteekt. Voor mij is het de eerste keer dat ik op de 50+ beurs ben en ik wandel een tikje ongemakkelijk langs de stands met lekvrij ondergoed, handige alles reinigende doekjes, hulp in huis, zéér gemakkelijk lopende schoenen en informatie over talloze ziekten waar je aan ten prooi kan vallen. Zeker als je ouder wordt. Gelukkig vind ik vrij snel onze stand ‘Vrienden van de veerponten’ die als een vrolijke noot temidden van dit alles staat. Ik zeg ‘onze’ al komt dat in het begin wat aarzelend over mijn lippen. Maar ik ben al jaren lid, dus kan ik het toch moeilijk over ‘hun’ hebben. Of over ‘die’ vereniging. Dus zet ik mijn beste beentje voor; ik praat met medeliefhebbers van pontjes, maak grapjes met bezoekers en schrijf mensen in die ook lid willen worden. En eerlijk gezegd heb ik het wel naar mijn zin. Tegen een uur of één word ik afgelost door een dame met een fleurige jurk en een mooi grijs-wit kapsel. ‘Willemijn,’ stelt ze zichzelf voor. Ik schat haar begin zeventig. ‘Hoe is de beurs?’ vraag ik terwijl ze een beetje moeizaam haar badge op spelt. Ze kijkt me fronsend aan. ‘Vooral geschikt voor heel oude mensen,’ bromt ze. 
12 september 2023

Meisjes
Als ik over de brug loop, komen van de andere kant twee meisjes aanfietsen. Ik schat ze een jaar of tien, elf. Wijde broekjes, lange haren en mooie fietsen. Vlak voor me slaan ze onverwachts rechtsaf. Ik kan nog net op tijd stoppen en wacht tot ze voorbij zijn. Het achterste meisje ziet mijn schrikreactie. ‘Je moet je hand uitsteken,’ roept ze naar het voorste meisje. Haar hoge stemmetje kaatst over de weg. De ander roept iets terug wat ik niet versta. ‘En niet pas als je de bocht al hebt gemaakt,’ roept het stemmetje weer. Ik kijk ze glimlachend na. Wat heb ik nu nog te wensen.
30 augustus 2023

Koolmeesje
De deuren staan wagenwijd open. Er ligt een floersje over de dag. Een soort dun fluweel dat de dag zacht maakt. Ik zit op de bank en kijk naar buiten. De plantjes in mijn plantenbakken doen nog hun best, maar het einde van de zomer zit er al in. Alsof ze moe zijn en willen rusten. Vanuit het niets komt een koolmeesje tevoorschijn en landt op de bloembak met pluksla. Hij hipt op, vliegt weg maar komt net zo snel weer terug. Ik begroet hem zachtjes, ik wil hem niet wegjagen. Rustig blijft hij op de rand van de bak zitten en kijkt naar binnen. Kijkt hij naar mij? Sommige mensen zeggen dat in koolmezen de ziel van overledenen huist. Ik bekijk het meesje peinzend. Wie komt mij gedag zeggen? Dan buigt het vogeltje zich voorover en begint te pikken. En voor ik het in de gaten heb, zit ze daar met een blaadje sla in haar bek. Een van de paar blaadjes die moeizaam aan zijn laatste leg is begonnen. ‘Hé,’ roep ik nog, nu helemaal niet meer zachtjes, maar hij vliegt al weg, en doet nog even een triomfantelijk rondje langs het raam.
25 augustus 2023

Stropdas
Als ik een paar flessen in de afvalbak gooi zie ik bij de kledingbak naast me een meneer staan. Hij heeft een Aziatisch uiterlijk, is gekleed in spijkerbroek en bomberjack met daaronder een keurig gestreept overhemd. Terwijl hij met de ene hand het deksel oplicht, zie ik dat hij in zijn andere hand een plastic zakje heeft waar duidelijk zichtbaar een bundel stropdassen in zitten. Gestreepte, met ruitpatroontjes, en kleurige blauwe in schuine banen. Het pakketje verdwijnt met een zacht bonsje in de diepte. Heel even kijkt de man me aan. Zie ik hem nou een zucht van opluchting slaken?
12 augustus 2023

Feest
Er is er een feestwinkel vlakbij mij in de buurt. Ik ben er honderden keren langs gelopen, maar ik had niet verwacht dat het zó groot zou zijn. Er is niemand te bekennen en ik wandel langs de schappen. Ik zoek iets met het getal 95, maar dat is nog niet zo eenvoudig. In de kelder vind ik de verkoopster die me vraagt of ze kan helpen. Nee, er is weinig met 95 in de winkel, zegt ze. ‘Mijn moedertje wordt vrijdag 95,’ zeg ik en verwacht een verraste uitroep of een vriendelijke vraag. Zoiets als: ‘En woont ze nog zelfstandig?’ En dat ik dan kan zeggen: ‘Mijn moeder is een kranig oud dametje die overigens niets wil weten van het woord dametje of oud. ‘Kranig? Ach, ik heb gewoon geluk gehad.’ Het winkelmeisje kijkt me echter blanco aan en wijst naar een rek met feestartikelen. ‘Misschien hangt daar wat tussen?’ Ik worstel door grappig bedoelde kroontjes en medailles. Daar hoef ik bij mijn moeder echt niet mee aan te komen. Om mij te plezieren zal ze die even dragen om ze na tien minuten af te zetten en aan de kant te leggen omdat ze in de weg zitten. En ze dan vervolgens, als ik weer weg ben, in de afvalbak te gooien. Tot mijn verrassing vind ik achter wat andere rommel een zakje veel te kleurige vlaggetjes met daarop het cijfer 95 breed uitgemeten. Het is het enige zakje dat er hangt. Blij loop ik naar de kassa. De verkoopster is ondertussen verdwenen. Ik vind haar in het kantoortje waar ze zit te lezen. Dat dan weer wel. 
2 augustus 2023

Zweeloo
’Beste broer,’ schrijft Vincent van Gogh in 1883 aan zijn broer Theo, ‘het inrijden van het dorp Zweeloo was toch zoo mooi. Enorme mosdaken van huizen, stallen, schaapskooien, schuren. … Ik kwam voorbij een oud kerkje … hier kwam een herder met een koppel schapen langs de hegge…’Het kerkje staat er nog net zo als toen. Vanuit de verte zien we het liggen in dit verder kale land. Rondom is een grote begraafplaats waar ik de merkwaardige naam Alarbartine op een grafsteen tegenkom. In het kerkje is een expositie van amateurschilders die zich net als Vincent hebben laten inspireren. De twee dames die er vanmiddag dienst hebben staan ons uiterst vriendelijk te woord. We zijn de enige gasten. Langzaam lopen we door het kerkje. Aan de sobere witte muren hangen zwart-wit tekeningen die hier wonderwel op hun plaats lijken. Her en der zijn kleine nisjes aangebracht. In een daarvan zie ik een emaillen stoofje zoals die vroeger in de kerk werd gebruikt. Ik herinner me hoe mijn oma een houten stoofje had waar ze een schaaltje met hete kooltjes in zette. Haar gepantoffelde voeten er bovenop. Waar zou dat ding gebleven zijn? Eenmaal buiten kijk ik nog even om. Ongeveer hier moet Vincent van Gogh gestaan hebben, gekeken naar hoe de schapen in de schuur verdwenen. Naar hoe het schemer viel. 29 juli 2023

Ontmoeting
Hij lijkt recht op me af te komen met zijn volgepakte fiets, lage helm en grote zonnebril. Ik blijf staan en wacht. Ik herken hem niet, maar dat zegt niet alles, mijn geheugen voor gezichten is niet altijd even goed. Hij zet zijn bril af en kijkt me aan. ‘Bent u hier bekend?’ vraagt hij vriendelijk. Hij heeft vriendelijke ogen en lijkt ouder dan ik dacht. ‘Zeker ben ik hier bekend,’ knik ik. ‘Is hier ergens een bakker?’ ‘Om de hoek is de Jumbo,’ zeg ik aarzelend, ‘maar ik denk niet dat u dat zoekt.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik zoek een echte bakker.’ Hij heeft iets zachts in zijn gezicht, iets wat maakt dat ik graag nog even blijf staan. ‘Er is wel een bakkertje verderop,’ zeg ik, ‘maar ik weet niet hoe ik u uit moet leggen waar dat is.’ Hij pakt zijn mobieltje en zoekt een plattegrond op. ‘Hier staan we,’ zegt hij en wijst op een rode stip die lichtjes beweegt. Ik kijk op het schermpje en zoek. Hij wacht rustig af. ‘Er is hier vlakbij een biologisch-dynamische winkel,’ bedenk ik opeens. ‘Daar hebben ze ook lekker brood.’ Stralend kijkt hij me aan. ‘Dat  zoek ik,’ zegt hij blij. Ik wijs hem waar de winkel is. ‘Super dat ik u gevonden heb,’ zegt hij. Ik grijns van oor naar oor. Hij ook.
25 juli 2023

Zomernachten
Vlak voor het spoor loopt een smal paadje naar rechts. Er hangt een bordje waarop staat: ‘Verboden voor onbevoegden’. Ik aarzel, van zulke bordjes raak ik altijd een beetje in de war. Mag ik hier nu wel of niet in? Er staat niet verboden toegang of privé-weg. Maar ben ik bevoegd? En bevoegd voor wat dan? Ik loop het pad in en kom terecht in een klein ommuurd hofje. Ik ga zitten op een bankje in het mini parkje en luister naar het ruisen van bomen. Iemand gooit iets in een vuilnisbak, verder is het helemaal stil. Verderop loopt het pad dood. Het grenst aan achtertuinen waar lege glazen op improvisorisch gemaakte tafeltjes staan. Ze vragen om lange avonden, met een glaasje wijn en vooruit nog eentje dan. Zitten en zien hoe het licht wordt. Horen hoe de vogels wakker worden. Naar bed moeten, maar er niet toe kunnen komen. Zo’n avond, zo’n tuin.
24 juli 2023

Dansen
Het minibiebje zit vandaag verstopt achter een hoge steiger. Op de planken houden vier mannen in witte overalls pauze. Ik haal een paar boeken uit mijn tas en wijs naar het kastje. ‘Ik wil wat boeken kwijt,’ zeg ik, ‘of zijn jullie misschien geïnteresseerd?’ Ik houd een boekje met Zuid-Amerikaanse dansen omhoog. ‘Dansen bijvoorbeeld?’ Een van de jongens kijkt nieuwsgierig op. ‘Ik ga vanavond dansen,’ zegt hij aarzelend. ‘Nou dan,’ roep ik. Hij schudt een beetje ongemakkelijk zijn hoofd. ‘Wat voor dansen ga je leren?’ vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. ’Salsa, zumba,’ zegt hij, ’Ik ga vanavond voor het  eerst.’ ‘Spannend,’ zeg ik. Hij knikt, lacht een beetje schuchter naar zijn collega’s en neemt een slok uit een blikje cola. Zijn collega neemt mijn boekjes van me over en zet ze zorgvuldig in het kastje. ‘Kan het zo?’ vraagt hij. Ik bedank hem en wandel door. ‘Veel plezier,’ roep ik over mijn schouder naar de aanstaande danser. Hij groet me met een klein knikje en staart dan weer snel voor zich uit.
12 juli 2023

Mannes
Aan de overkant van het station in Assen staat een enorme hond. Hij glanst in de zon. Goudbruin, met  ontroerend kleine oortjes en een grote stompe bek. ‘De hond heet Mannes’, vertelt een taxichauffeur me die, net als ik, op het stoepje in de schaduw is neergestreken. Hij wacht op zijn klant, ik op de Hubtaxi die me naar landgoed Mariahoeve gaat brengen. ‘Mannes is nogal kostbaar geweest,’ zegt hij. ‘Ze hebben hem namelijk gestoomd, maar ze waren vergeten dat hij van hout was. Er bleef niet veel van hem over.’ Hij lacht terwijl hij zijn tweede shagje draait. ‘Het opkalefateren kostte
€250.000.’  Ik kijk naar Mannes, die op zijn hoge poten, alert in de verte staart. ‘Hij staat voor ‘welkom thuis’ als je aankomt en hij wacht trouw op je tot je terugkomt als je vertrekt.,’ lees ik op zijn website. Als ik de volgende dag terug ben in Assen, draai ik me, vlak voor ik het station binnen stap, nog even om.‘Dag Mannes,’ zeg ik en zwaai naar hem. Hij geeft me een lome knipoog terug. 
9 juli 2023

Reisboeken
In het kader van het Grote Opruimen heb ik een doos vol boeken ingepakt die weg mogen. Het zijn vooral reisboeken,  woordenboeken, hoe en wat in het Portugees, Laotiaans enz. En mijn eerste Lonely Planet gids van China. Het boek stamt uit 1984 en dat er mee gereisd is, is duidelijk te zien. Ik ben vroeg, want de mevrouw die vandaag dienst heeft arriveert net voor mij. Vriendelijk nodigt ze me binnen en neemt me meteen mee naar het zijkamertje. Één voor één pakt ze de boeken uit de doos en bekijkt ze. ‘Kent u alle woorden?’ grapt ze bij het boekje ‘Speak Lao. ‘Zeker,’ knik ik en lach. ‘Ik zal u niet overhoren.’ Dan komt ze bij het dikke China boek. ‘Deze is wel erg versleten,’ zegt ze, ‘dit kunnen we hier niet verkopen. Met uw welnemen gooi ik het weg.’ En al heeft ze helemaal gelijk, ik schrik toch. ‘Gaat u dat aan het hart?’ vraagt ze. ‘Ja,’ zeg ik, ‘dat gaat me aan het hart.’ Mijn eerste reisboek, mijn eerste verre reis, het boek dat ons leidde door een toen nog moeilijk bereisbaar China. Een reis die diepe indruk maakte. ‘U mag het ook weer meenemen, dan kunt u het zelf weggooien?’ Heel even aarzel ik, dan schud ik mijn hoofd. ‘Doet u het maar,’ zeg ik en met een zwaai belandt het boek in de weggooidoos.
4 juli 2023

Tuincentrum
Ik ben al lang niet meer in het grote tuincentrum geweest en ik moet me weer even oriënteren. Waar staat de munt? Met een onhandig karretje dat alle kanten opdraait dwaal ik door de buitentuin. De betonnen vloer is brokkelig en ik houd mijn wagentje met moeite in bedwang. Ik begrijp het systeem niet wat ze hier hanteren en wandel een beetje verdwaald rond. Bovendien heb ik een te warme jas aan en ik heb het bloedheet. Iets verderop staat een medewerker, maar die is in een geanimeerd gesprek verwikkeld met een andere klant. ‘Waar staan die kruiden?’ mopper ik zachtjes en zucht. Toch maar naar de medewerker. ‘Mag ik iets vragen?’ Hij draait zich onmiddellijk om, toont een brede glimlach en zegt: ‘Natuurlijk, altijd.’ Hij wijst me waar ik moet zijn, loopt door, draait zich dan weer om en zegt: ’Het is fijn dat u iets vraagt, want daar ben ik voor. Anders zou ik niets te doen hebben. U hebt dus eigenlijk een maatschappelijke daad verricht.’ Glimlachend kom ik met mijn plantjes bij de balie aan. 
27 juni 2023

Op de boot
Het is moordend warm en we zijn blij dat het in de waterbus aangenaam koel is. We zijn vanaf Dordrecht onderweg naar Rotterdam. Het is zondag, de boot is halfvol en niemand lijkt haast te hebben. Vanuit de cockpit komt een medewerkster tevoorschijn. Ze heeft lang sluik haar en een bocheltje. Ze roept iets, maar ik versta haar niet goed en houd mijn hand achter mijn oor. ‘Of u allemaal heeft ingecheckt?’ herhaalt ze met schelle stem en kijkt me met boze ogen aan. Ik steek mijn duim omhoog en ze knikt nors. Een tijdje later komt ze weer tevoorschijn en schreeuwt: ‘Moet er nog iemand uit in Alblasserdam?’ Niemand reageert. De bochel overziet haar publiek met argusogen en knikt tevreden. Ze loopt naar een hokje voor in het schip, trekt een stofzuiger tevoorschijn en begint met woeste gebaren te zuigen. Zwijgend kijken we hoe ze rij voor rij schoon veegt. Dan zegt een meneer op de middelste rij, terwijl hij zijn voeten op tilt, zodat ze ook daar bij kan: ‘U heeft er vast al een lange dag opzitten.’ Even blijft ze doodstil staan. Een diepe zucht ontsnapt haar, haar schouders zakken een paar centimeter, het is bijna of ze voor onze ogen smelt. Dan kijkt ze de man aan. ‘Ik zal blij zijn als mijn dienst er op zit,’ zegt ze, ‘ik ben vanmorgen al vroeg begonnen.’ Ze doet nog een zucht, maar nu ligt er een voorzichtige glimlach op haar gezicht. ‘Ligt daar nog rommel?’ vraagt ze en wijst naar de vloer onder onze voeten. Bereidwillig speuren we mee naar de laatste restjes. 
25 juni 2023

Touwtje
Het geluk wil dat er een brillenwinkel in de buurt is. En dat komt goed uit want ik heb een deskundige hand nodig om de pootjes van mijn zonnebril aan te draaien. De mevrouw in de winkel doet het met plezier. Altijd fijn om te kijken naar vakkundige handwerk. Blij sta ik een paar minuten later weer buiten. Met pet en bril ben ik weer helemaal klaar voor een zonnige dag. Het enige lastige aan een pet is, dat je je bril niet op je voorhoofd kan schuiven. En dan denk ik aan de touwtjes die in de winkel hingen en waaraan je je bril kunt laten hangen. En opeens dringt het tot me door hoe handig dat is. Bij de eerstvolgende winkel stap ik naar binnen en vraag naar brillentouwtjes. Jazeker, die hebben ze, hele leuke zelfs. Ze toont me glinsterende kettingtjes met halve edelstenen. ‘En ze zijn maar € 25,-,’ kweelt ze. Gelukkig komen er andere klanten binnen en kan ik me ongemerkt uit de voeten maken. Iets verderop is een drogisterij, die heeft ze vast ook. De vriendelijke dame achter de kassa verwijst me naar het schap met brillen. En inderdaad daar hangen simpele touwtjes in allerlei kleuren. Ik kies een groene. ‘Wat kosten ze eigenlijk?’ vraag ik voor de zekerheid. ‘€ 0,80.’ Stralend kom ik naar buiten. Dat je zo blij kunt zijn met een touwtje van tachtig cent.
21 juni 2023

De jurk
De jurk is gevonden op de bodem van de Waddenzee. Ik heb er over gelezen. Hij (of zeg je in dit geval zij?) is min of meer illegaal opgedoken. Er is een hoop gekrakeel over geweest en en nu ik voor het museum sta wil ik haar wel met eigen ogen zien. De gezonken trouwjurk bevindt zich in de kelder. Ze ligt in een ronde vitrine, beschenen door geel-kleurige lampen. Glanzend en bijna of ze wacht op haar gebruikster. Een tikje geheimzinnig ook. Dat de bezitter van deze jurk rijk en van hoge komaf was, is zo ongeveer het enige wat zeker is. De jurk is zo gedrapeerd dat je ziet hoe zij gedragen is. Ik zou met mijn vingers over de stof willen gaan, de zachte zijde voelen, het kant volgen, de knoopjes strelen. ‘Wat een prachtige jurk,’ zeg ik tegen de aardige mevrouw achter de kassa als ik een kaartje met een foto van de jurk afreken. Ze knikt. ‘Toen hij pas gevonden was, hing hij een tijdje op kantoor,’ zegt ze, ‘we keken er de hele dag naar.’ Peinzend staren we naar de kaart. ‘Kon ik zo’n jurk maar één keer aan,’ zucht ik. ‘Ja,’ zucht ze met me mee, ‘één keertje maar.’ 
17 juni 2023

Mobieltje 
Hij heeft donker achterover gekamd haar,  een klein sikje en draagt een goudkleurig horloge met een bijpassende gouden ring. Op zijn schouder, half verstopt onder zijn hemd, zit een tatoeage. Iets met veren, meer kan ik niet onderscheiden. De trein is vrijwel leeg en hij blijft bij ons bankje staan. Hij laat zijn mobiel zien, die vol barsten zit. ‘Ik heb mijn telefoon vannacht in het zwembad laten vallen,’ zegt hij, ‘en ik wil mijn vader bellen. Mag ik misschien uw telefoon even gebruiken?’ ‘Wat doe je ‘s nacht in het zwembad,’ vraag ik. ‘Dat was niet zo slim,’ zegt hij en lacht een beetje schutterig. ‘Ik was een beetje dronken.’  We kijken hem zwijgend aan. ‘Hij doet het echt niet,’ zegt de jongen en laat met een hulpeloos gebaar het lege beeld van zijn telefoontje zien. Mijn metgezel haalt zijn mobiel tevoorschijn. ‘Heb je een nummer?’
De vader neemt niet op en de jongen laat zich moedeloos op de bank naast ons vallen, waar hij direct in slaap valt. Om zijn kater weg te werken? Of omdat hij geen mobieltje heeft om de verveling te verdrijven? Wie zal het zeggen. We zijn al bijna in Schagen als ons mobieltje gaat: De vader van de jongeman. De jongen pakt het telefoontje lusteloos aan. Ik hoor hem wat mompelen, iets over onderweg zijn, mobieltje en dan, opeens helder: ‘Is er een mediamarkt in Schagen?’ Hij kijkt ons lachend aan. ‘Dank u wel,’ zegt hij als hij even later uitstapt. In zijn hand bungelt een plastic zakje van de Lidl. 
16 juni 2023

Be real 
Het station in Rijssen is zo goed als verlaten. Met een handjevol reizigers zijn we hier door een bus gedropt; de trein tussen Deventer en Rijssen rijdt vandaag niet. Het loopt naar middernacht en we wachten op de laatste trein naar Enschede. Een groepje jongeren komt uitgelaten het perron oplopen. Ze zetten een grote boodschappentas met rammelende flessen naast zich neer. ‘Komt hier de trein naar Hengelo?’ vraagt een meisje met lang donker haar. ‘Dat hoop ik wel,’ zeg ik. ‘Gaan jullie nog uit?’ Vrolijk vertellen ze dat ze gaan stappen in Hengelo en dat er in Rijssen nu niets meer te doen is. ‘Dat is mijn zus,’ zegt een van de jongens en wijst naar het meisje met het lange haar. Hij is lang en mager en drinkt grote slokken uit een blikje bier. Hij laat een harde boer. ‘En dat is ons nichtje,’ lacht het meisje met het lange haar dat ondertussen naast me is komen zitten. Ze heeft een glas in haar hand met daarin een helderrood drankje. Haar nichtje heeft een Aziatisch uiterlijk en een yin yang tatoeage op haar onderarm. ‘Ik probeer in het slechte iets goeds te zien en in het goede zit ook wel iets slechts,’ legt ze uit. Ze kruipt even tegen haar grote neef aan. Opeens steekt ze haar mobieltje in de lucht. ‘Be real,’ roept ze, ‘ik moet nú een foto maken.’ Ze kijkt aarzelend naar ons. ‘Wilt u met ons op de foto?’ vraagt ze dan. Zaterdag 10 juni

Iran
‘Tapijtje gekocht?’ vraag ik aan de jongen die naast me komt zitten. Hij zet een dikke plastic tas tussen zijn benen op de grond. Er zit een opgevouwen tapijt in met heldere blauw en groen kleuren. Hij kijkt me vragend aan. ‘Sorry?’ Het tapijt komt uit Iran en hijzelf ook. Hij heeft het daar vorige week gekocht voor zijn oom naar wie hij nu onderweg is. Enthousiast vertelt hij dat dit tapijt van zijde is gemaakt en dat Iraanse tapijten over de hele wereld worden verkocht. Hij werkt in Venlo en het leven in Nederland bevalt hem goed. Ik schat hem ergens in de twintig. Dik donker haar en sprankelende bruine ogen. Zijn oom woont in Zwolle en heeft een boot. ‘Dat leek me met dit warme weer wel prettig,’ zegt hij met een lach in zijn stem. Hij spreekt Engels, maar is Nederlands aan het leren. Hij spreekt ook Turks, Arabisch en Duits. ‘Wilt u Iraanse tapijten zien?’ Hij toont me filmpjes van schitterende tapijten die glimmen en glanzen en rollen alsof het watergolven zijn in plaats van stijve stoffen.
‘Prachtig,’ beaam ik, ‘en ze passen ook nog in een plastic zak.’ Hij lacht. Ik ook. 
10 juni 2023

Zwemmen 
Vandaag gaat het er van komen: zwemmen in zee. Met zwempak, handdoek en extra warme kleren lopen we het strand op. De zon schijnt, het waait niet hard en het is rustig. We wandelen voorbij het eerste strandje (Hier is de zee te ver weg), het tweede (daar liggen mensen), het derde (we wachten tot de zon weer vanachter de wolken tevoorschijn komt), en zo wandelen we nog een tijdje door. Maar uiteindelijk houden we halt: hier! We trekken onze kleren uit en lopen de zee in. Op de achtergrond varen twee grote schepen voorbij. Het water is koud, schrikbarend koud. Ik spring op en neer, duik onder, schiet weer overeind, bries en snuif, laat me achterover in het water vallen en blijf even drijven. Dan loop ik langzaam terug naar het strand. Mijn huid tintelt, mijn hoofd suist en mijn haren plakken op mijn hoofd. Glimmend van genoegen en trots trekken we onze extra warme shirtjes aan. Terug nemen we de weg door de duinen, die veel langer lijkt dan de heenweg. ‘Jullie boffen maar,’ roept een mevrouw die net langs fietst als we vanuit het bos het pad willen oversteken. ‘Zeker,’ roepen we haar na en kijken elkaar vervolgens vragend aan. Waar boffen wij dan mee? Met het mooie weer? Met het pad waar we net vanaf komen? Of omdat we zo stoer waren om te zwemmen in zee? Maar hoe weet zij dat nou? We lopen door en zien met een zucht van opluchting het hek van de camping opdoemen. 
24 mei 2023

Dinsdag
De wandeling duurt langer dan we dachten, maar gelukkig kunnen we boodschappen doen bij de kampwinkel op het terrein, dan hoeven we niet tien kilometer verderop naar de supermarkt te rijden. De winkel is uitermate goed geoutilleerd; daar is genoeg te vinden. Ik slenter naar de winkel die er opvallend donker uit ziet. En inderdaad, lees ik op het bordje naast de deur: Dinsdagmiddag gesloten. Ik werp een blik op de take away ernaast, het bord staat buiten. Dan straks maar frietjes met iets erbij. Het zonnetje schijnt en al is de wind koud, het blijft heerlijk om buiten te zijn. Helemaal als het krijsende buurmeisje klaar is met haar dagelijkse portie. Tegen een uur of zes wandelen we naar de cafetaria, terwijl we overleggen of we er een kroketje of een frikandel bij nemen. Ik loop op het bord af om te kijken of ze nog meer lekkernijen hebben. Maar er staat alleen ‘openingstijden’. Welke dat zijn is niet ingevuld. Ik draai me om naar de deur en zie dan pas dat de cafetaria is gesloten. ‘Geopend van vrijdag tot en met zondag’ staat er op een bordje achter het raam. Hoor ik nu echt een licht gniffelen van binnen komen?
23 mei 2023

Vak 64
Net als ik mijn fiets omhoog wil hijsen komt er een man het gangpad inlopen. Ik wacht even tot hij voorbij is, maar bij blijft vlakbij mij staan. ‘Hulp nodig,’ vraagt hij. ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik dacht dat je er langs wilde.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik zoek mijn fiets, ik ben vergeten waar hij staat.’ ‘Dat is lastig,’ zeg ik. Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik weet dat hij ergens in een van deze vakken moet staan.’ Hij sloft verder, kleine aktetas onder zijn arm. ‘Ik neem altijd een foto,’ zeg ik tegen zijn rug. Alsof ik de wijsheid in pacht heb. Maar deze fietsenstalling is enorm. Meer dan eens heb ik hier mensen verloren rond zien lopen. Hij draait zich om. ‘Meestal onthoud ik het wel,’ zegt hij. Ik kijk hem na. ‘Waarom vandaag dan niet,’ wil ik roepen. Ik heb visioenen van emotionele ontmoetingen, dramatische vergaderingen of schreeuwende ruzies. Maar hij is al naar de volgende rij gesjokt. Ik schuif mijn fiets op haar plaats, neem een foto en loop naar buiten.  
16 mei 2023

WIFI
De WIFI doet het niet. Ik controleer de kabeltjes, zet het modem uit en weer aan, zoek op internet of er een storing is, maar niets van dat alles. Dan maar bellen. Er is een lange wachtrij, zegt de automatische piloot, maar u kunt ook chatten. Vooruit maar. Na het gebruikelijk robot-chatten krijg ik een echte Ron. ‘Ik zie dat u inderdaad offline bent,’ schrijft hij. Hij loodst me door knoppen, kabels en splitters. Maar niets lijkt te helpen. ‘Die splitter moet eruit,’ schrijft hij dan. Ik schroef de splitter eraf en doe de coaxkabel van het modem erin. Maar nu is de televisie niet meer aangesloten. Dat hoeft ook niet, schrijft Ron, want de televisie werkt via het modem. ‘Doet het modem het weer?’
‘Staat hij zo aan? vraag ik en stuur een foto mee, ‘want er brandt nergens een lampje.’ ‘Dat zou wel moeten. Kunt u een ander stopcontact proberen?’ Op dat moment zie ik dat de stekkerdoos uit staat. Waarschijnlijk ben ik daar vanmorgen tegenaan gelopen of is er iets verschoven.
Ik voel het schaamrood op mijn kaken gloeien, maar ik kan nu niet meer terug, we zijn al zeker drie kwartier bezig. ‘Zal ik de splitter weer terug schroeven,’ zeg ik in een halfslachtige poging om alles ongedaan te maken. ‘Die splitter doet het sowieso niet meer,’ schrijft Ron, ‘ik stuur wel een nieuwe. Maar ik vrees dat u die niet voor donderdag in huis hebt.’ ‘Dat geeft niet,’ schrijf ik terug, ‘ik kan wel een paar dagen zonder televisie.’ 
9 mei 2023

Een goede daad
‘Mag ik een koffie verkeerd?’ vraag ik aan de jongen achter de balie. Hij is jong en ik vermoed dat hij een stagiaire is. Hij wil vooral heel graag helpen. Naast me staat een vrouw, die net haar bestelling heeft geplaatst. We kijken elkaar glimlachend aan. Als ik mijn pasje wil pakken om af te rekenen, merk ik dat die niet in mijn portemonnee zit. Te laat realiseer ik me dat het waarschijnlijk in mijn andere tas zit, die ik gisteren heb gebruikt. ‘Kan ik cash afrekenen?’ De jongen schudt zijn hoofd, ‘dat kan hier niet.’ Hij kijkt vragend achterom naar de degene die blijkbaar in charge is. Ook hij schudt zijn hoofd. ‘Jammer,’ zeg ik, draai me om en wil weg lopen. ‘Zal ik uw koffie betalen,’ vraagt de vrouw naast me. Ik kijk haar verbaasd aan. ‘Ik heb wel geld,’ zeg ik en open mijn portemonnee. Ze schudt haar hoofd. ‘Dit lijkt me voor vandaag een mooie goede daad,’ zegt ze. Ze betaalt, neemt haar eigen koffie mee en groet ons vriendelijk. ‘Dát was aardig,’ zegt de jongen verbaasd en hij kijkt haar lang na. 
4 mei 2023

Statiegeld
Met mijn tas vol rammelende lege flesjes loop ik naar achteren in de supermarkt om ze in te leveren. Pas als ik vlakbij ben zie ik dat er al iemand druk bezig is om petflesjes én blikjes op het lopende bandje te zetten. In zijn handen heeft hij een grote boodschappentas, op de grond naast hem  een sporttas die er vol uit ziet en aan de andere kant een stevig gebouwde plastic tas, ook vol. Ik kijk vanachter op zijn zwart grijs kroeshaar en tel mee op de display: 28 flesjes, 9 blikjes. Achter mij schuift een jonge vrouw aan. De man kijkt vluchtig over zijn schouder en voert het tempo een beetje op; 37 flesjes, 13 blikjes. Achter de vrouw schuift een oudere man aan met een tas vol flessen, zo te horen. De man voor me wordt een beetje zenuwachtig. Ik stel me voor dat hij al die blikjes en flesjes heeft verzameld tijdens de vrijmarkt van eergisteren. Of zou hij ze in zijn huis opsparen tot er geen plek meer is? De teller tikt lustig door, € 8,90 al. Ik fantaseer dat er achter de lopende band een werknemer zit die als een razende alle flesjes en blikjes bekijkt, bedragen intypt en optelt. Eindelijk verdwijnt het laatste flesje. De man pakt het bonnetje, vouwt zijn tassen in elkaar en draait zich om. Ik schuif mijn eerste flesje op de band. Heel even verbeeld ik me dat ik een glimp van een hand opvang, met daarin een rekenmachientje, maar dat zal wel niet. 
29 april 2023

Twijfel
Het is september, het is avond. Ik zit aan het sterfbed van mijn vader. Ik dacht dat hij al vertrokken was naar die andere wereld, maar hij wordt wakker en kijkt mij aan. ‘Hé,’ zegt hij, ‘ben jij er?’ Ik ben er al dagen maar dat weet hij natuurlijk niet. 
‘Je was zo ver weg,’ zeg ik, ‘ik dacht dat je niet meer terug zou komen.’
‘Oja? vraagt hij en kijkt me verbaasd aan. ‘Daar heb ik niets van gemerkt.’ Ik kijk naar zijn handen die een beetje rusteloos op het laken liggen. Zowel mijn broers als ik hebben diezelfde handen. 
‘Ben je god daar nog ergens tegengekomen,’ vraag ik. Hij schudt bedachtzaam zijn hoofd. ‘Nee, dat geloof ik niet.’ 
‘Ben je een beetje goed met god?’ 
‘Ja, dat dacht ik wel,’ zegt hij. Mijn vader was een gelovig mens, maar hij was niet volgzaam. Hij was wars van zinloze gebruiken en niet onderbouwde meningen.  Hij wist dat hij ging sterven en we hadden hem gevraagd of hij bediend wilde worden, een oud katholiek gebruik. 
Ik kijk naar hem, hoe hij daar ligt en om zich heen kijkt alsof hij de wereld voor het eerst ziet.
‘Heb je nog nagedacht of je bediend wil worden,’ vraag ik. Hij kijkt mij peinzend aan. 
‘Ik zeg geen ja en ik zeg geen nee,’ zegt hij dan. Dat was mijn vader ten voeten uit, een aartstwijfelaar. 
26 april 2023

Bovenstaande miniatuur schreef ik geïnspireerd door het blog van Ben de Graaf, ‘Ode aan de twijfel’.
https://www.bentekstschrijver.nl/

Ootmarsum 
De begraafplaats ligt pal naast de doorgaande weg. Vanachter het hek zie ik grote grijze stenen met opschriften. Ze zien er oud uit. Rondom het hek staan hoge stramme bomen, nog zonder blad. Het kerkhof is vandaag gesloten, het is sabbat, dat had ik kunnen bedenken. Achter het kerkhof is een weids uitzicht op de licht glooiende velden rondom. Op de heuvel staat een monumentje met een gedicht van Willem Wilmink.

Jödnkearkhof Oatmörsken

Zee lagn doar allang onder ‘t grös 
Doo’t tichelweark nog vol wearking was.
Gef God de Heer dat ze niks hebt vernomn 
Van wat heur noageslacht is oawerkomn 

Vanuit het niets schieten tranen in mijn ogen. Op hetzelfde moment komt een groep oudere motorrijders aanlopen. Ze waaieren uit over het plateautje, geanimeerd met elkaar in gesprek. ‘Mooi gedicht,’ zeg ik tegen een man die naast me komt staan. Hij groet mij vriendelijk en ik loop met een glimlach terug naar mijn fiets. 
22 april 2023

Ridderspoor
Een missie vervullen is niet goedkoop, zie ik als ik bij de kassa van het grote tuincentrum afreken. De zakjes ridderspoor-zaad kosten meer dan vijf euro per stuk. Gelukkig zag ik dat niet toen ik ze van hun haakje haalde, anders had ik vast getwijfeld. Maar nu ik hier eenmaal sta, wil ik niet meer terug. De weg door de winkel naar de kassa is eindeloos, één keer is ruim voldoende. Bovendien, een missie is een missie. De jongen bij de kassa geeft geen krimp als ik mijn zakjes op de band leg. Hij is jong en vriendelijk. Stiekem hoop ik op een gesprekje, dat hij bijvoorbeeld zegt:
‘U houdt nogal van ridderspoor zo te zien?’ 
En ik: ’Zeker, ik heb een missie.’
‘Een missie? Vertel.’
‘Ik wil zoveel mogelijk ridderspoorblauw in de wereld verspreiden. Het is het mooiste blauw dat ik ken.’
‘Wat een prachtige missie,’ zal hij zeggen en me blij aankijken.
‘Stel je een wereld vol van dat blauw voor,’ zeg ik.
Hij staart een tijdje voor zich uit, aarzelt en zegt dan: ‘Kan ik ook mee doen?’
Ik zal enthousiast knikken en zeggen: ‘Natuurlijk! Begin jij hier? Dan begin ik aan de ander kant van de stad.’
17 april 2023

Vrijdagmarkt
Het is markt op de grote parkeerplaats achter het winkelcentrum. Bij een van de kraampjes zie ik mooie lapjes hangen en ik voel er aan. Daar zou ik wel een mooi broekje van kunnen maken, peins ik en bekijk de verschillende kleuren. De lapjes hangen los naast elkaar over de bovenbalk van het kraampje. Ze zijn niet zo heel groot, ik schat dat ik er twee nodig heb. Maar net als ik wil vragen hoe groot ze zijn, dringt tot me door dat dit niet gewone lapjes zijn, maar kant en klare hoofddoeken voor moslima. Nu pas zie ik dat op deze markt vrijwel alleen maar buitenlandse vrouwen en mannen lopen, dat bijna alle stalletjes Marokkaanse waar verkopen en dat aan de rand van het terrein een man heel ingetogen staat te bidden. Bij een kraampje met kruiden sluit ik me aan bij de wachtenden. De vrouwen houden precies in de gaten wie er aan de beurt is. Kleine stukjes geelwortel worden in een machine gegooid en verpulverd tot poeder. Ik snuif de geur van anijs op. Met een zakje kardemom fiets ik terug naar huis, glimlachend, ik ben even op reis geweest.
7 april 2023

Afscheid
Op het dakterras van ons charmant hotelletje wachten we op de komst van de taxi. De afgelopen vier weken zijn voorbij gevlogen. Een paar keer knipperen met mijn ogen en we staan weer op Nederlandse bodem. Waar het koud en guur is. Nog even niet aan denken, nog even genieten in de schaduw van de parasol, een bloeiende oleander naast ons bankje. Een zacht muziekje op de achtergrond. Met af en toe een slokje water, zoals je dat nu eenmaal doet in warme landen. Want al is het nog maar net tien uur geweest, het is al wel 30 graden. Aan de overkant van de straat hangt een wasje te drogen. Vanaf beneden klinkt het geluid van blaffende honden. En van de straatwerkers, want zondag of niet, het werk gaat gewoon door. Adios Buenos Aires, een stad om nog wat langer te blijven, doorheen te slenteren, een leche dulce te proberen en een tangootje op zijn tijd, adios Argentina, adios vacaciones.
12 maart 2023

Buenos Aires 
‘Er mocht in die tijd niet gedemonstreerd worden,’ vertelt Santi, ‘maar de moeders waren slim; ze liepen rondjes, en dat mocht wel.’ Hij heeft het over de dwaze moeders op het Plaza de Mayo. Ik herinner me hoeveel indruk zij indertijd op mij maakten. ‘Hoe was dat voor jullie?’ vraag ik. Hij lacht verontschuldigd. ‘Ik was nog niet geboren en mijn ouders vertelden er niet veel over. Ze wilden het liever vergeten.’  Ik kijk naar de witte hoofddoekjes die her en der op de stenen zijn gesjabloneerd. Het plein is kleiner dan ik had verwacht. In gedachten zie ik de moeders hier lopen met de foto’s van hun verdwenen kinderen en geliefden. Het ontroert me.  Santi, die eigenlijk Santiago heet, neemt ons verder mee het plein op. Achter een glazen omheining liggen talloze stenen, iedere steen vertegenwoordigt iemand die is overleden aan corona. ‘30.000,’ zegt hij. Opnieuw realiseer ik me hoe de pandemie ons allemaal geraakt heeft.  Santi is een fijne gids. Hij vertelt graag, hij laat ons heel verschillende wijken zien en zijn tempo is laag. En dat is fijn, want het is warm in Buenos Aires, 36 graden lees ik op een thermometer onderweg. De stad is ruim, kleurig en groot. De Avenida 9 de Julio telt zelfs 18 rijbanen. Tot voor kort de breedste boulevard van de wereld. ‘Sinds kort heeft Brazilië een nog bredere straat aangelegd,’ zegt Santi met een scheef lachje, ‘nu zijn zij weer winnaar.’ De rondleiding eindigt in La Boca, een wijk vol gekleurde huizen. We pakken buslijn 64 die ons weer terugbrengt naar Palermo. We hebben de 10.000 stappen vandaag met gemak gehaald. 
11 maart 2023

Perito Moreno
Omdat onze vlucht naar Buenos Aires pas aan het eind van de middag gaat, trakteren we onszelf op nog een gletsjer: de Perito Moreno. ‘Great!’ appt Alexes. Alexes houdt van zijn land en al helemaal van dit deel. ‘Het is een prachtige dag,’ zegt hij. We rijden door een onmetelijk leeg landschap, de zon schijnt en het waait nauwelijks. ‘Zo tref je het niet vaak,’ zegt hij. We rijden een hoek om en daar in de verte ligt de gletsjer. ‘Kijk toch,’ zegt hij, ‘dit is zeldzaam mooi.’ Met verliefde ogen kijkt hij voor zich uit. We zijn zo ongeveer de eerste bezoekers en hij zet ons af bij de ingang van het pad dat helemaal langs de gletsjer loopt met talloze uitkijkpunten. De gletsjer is enorm: 5 km breed, 70 meter hoog en 30 km diep, staat er op het bord. Met open mond staan we te kijken. Een ijswand die reikt zo ver we kunnen kijken. Af en toe klinkt een luide knal alsof iemand vuurwerk afsteekt. Soms zien we enorme stukken ijs in het water donderen. Maar verder is het stil. Geen wind, geen hordes bezoekers. Er is alleen de gletsjer en wij.
9 maart 2023

Gletsjers bij El Calafate
Om 09.00 uur vertrekken we vanaf Punta Bandera op het Lago Argentino met een stampvolle catamaran. We varen door het Upsala kanaal en kijken vanaf het bovendek uit over turkoois-kleurige water. De zon schijnt bij vlagen, de wind rukt en trekt en is als altijd koud. Rondom hoge bergen met besneeuwde toppen. Een omroepster vertelt in rap Spaans en moeilijk verstaanbaar Engels wat we onderweg zoal zien. De boot schommelt heftig, we moeten ons goed vasthouden en lopen als dronken mensjes over het dek. Brokstukken ijs drijven langs. Dan komt de eerste gletsjer in beeld. Groot en majestueus ligt ze daar. Overdonderd ijsblauw van kleur, ik begrijp nu waar die naam vandaan komt. De volgende gletsjer is 135 meter hoog, vertelt de omroepster dwars door het gekrakeel van alle toeristen heen. Het is de hoogste in dit Nationaal Park. Scherpe punten steken in de bewolkte lucht, er lopen donkere strepen over het ijs. Dat is geen viezigheid, zegt de omroepster. Ze legt ook uit wat het wel is, maar dat versta ik niet. Met tientallen anderen verdring ik me aan de reling. ‘Wauw,’ zeg ik hardop. Een meisje lacht naar me. ‘Yes, wauw!’ beaamt ze. De ijsblauwe gletsjer, het groen-blauwe water, de donkere bergen met witte ijskap. De zon die grillig aan en uit gaat. Het is van een schoonheid die bijna pijn doet. Als ik het niet zo druk had met kijken, zou ik misschien wel een traantje wegpinken. 
7 maart 2023

Ushuaia
Om 09.00 uur vertrekken we uit de haven van Ushuaia en varen het Beagle kanaal in. De boot is behoorlijk vol, er zijn nauwelijks zitplaatsen voor iedereen. Maar het is natuurlijk vooral fijn om buiten op de boeg te staan. Wat een fascinerende  gedachte dat ooit Darwin hier voer, in zijn Beagle. Zou hij op dezelfde manier voor zich uit hebben gestaard, kijkend naar de bergen rondom, het donkergroene water, met de harde wind in zijn gezicht? De Beagle was een zeilschip. We hebben er een replica van gezien in Punto Arenas en gisteren in het museum een mini-exemplaar. Het schip was verhoudingsgewijs klein met weinig bemanning. Darwin had er zijn eigen hut waar hij vreemde planten en dieren verzamelde die hij onderweg tegenkwam. Zouden hier zijn ideeën over het ontstaan van de wereld zijn gegroeid? Het is bewolkt met af en toe een vleugje zon. En koud. Maillot onder broek, fleece, jas, muts en handschoenen. De boot vaart langs rotsen waar pinguïns en robben schijnbaar genoeglijk samen leven. Het is een kakofonie van geluiden; het blaffen van robben, het hoge piep-schreeuwen van pinguïns en het roepen van zeemeeuwen daar tussendoor. Robben klauteren moeizaam op de rots omhoog en zoeken een plekje bij elkaar. Pinguïns staan dicht opeen en spreiden af en toe hun vleugels in de zon. Het zijn er honderden. En het stinkt. Maar het is heerlijk om te kijken hoe de robben soepel het water in glijden en wegzwemmen. Hoe de pinguïns parmantig rondwandelen alsof ze druk in gesprek zijn. En rondom de bergen met hun indrukwekkende sneeuwtoppen. We varen langs een groep dolfijnen die met sierlijke boogjes uit het water tevoorschijn springen. En als klap op de vuurpijl springt er recht voor ons een walvis hoog op uit het water en duikt met een prachtige boog moeiteloos weer kopje onder. Nog heel even piept hij tevoorschijn, alsof hij naar ons knipoogt. Dan is hij verdwenen. Tegen drieën leggen we weer aan in de haven. Koud, doorgewaaid en gelukkig. 
5 maart 2023

Torres del Paine 
‘De herfst valt vroeg dit jaar.’ Hij is chauffeur van een bus vol toeristen. We hebben elkaar over en weer ingehaald en nu kijken we samen naar de bergen ver voor ons. ‘Twee dagen geleden was ik hier ook,’ zegt hij, ‘toen lag er nog geen sneeuw.’ De sneeuw komt nu tot halverwege de helling. We rillen in fleece, jas en muts. ‘Waar komen jullie vandaan?’ Als hij hoort dat wij uit Nederland komen, vertelt hij hoe hij als kind alle boeken las die zijn vader ook las, over Nederland. ‘Jullie hebben altijd dat gevecht tegen de zee,’ zegt hij ‘en tulpen natuurlijk.’ Hij glimt van trots dat hij dat weet. De asfaltweg gaat over in grint met diepe modderpoelen. Bruin modderwater spettert op de voorruit. Langs de kant van de weg grazen alpaca’s en af en toe een nandoe. Uit grijze wolken valt regen en dan weer is er de verblindende zon en een scherp blauwe lucht. En regenbogen van de ene naar de andere kant van de aarde.  In de refugio is het een drukte van belang; wandelaars, rugzakken, rumoer. Het meisje achter de balie wijst ons onze bedden. ‘Niet vergeten,’zegt ze, ‘bed 21 en 22 zijn van jullie.’ We wandelen naar Mirador Base de las Torres. Zittend op een steen kijken we uit over het landschap. Wandelaars bepakt en bezakt lopen langs. Ver beneden ons stroomt een smal riviertje. Bergen verdwijnen en verschijnen achter afwisselend wolken en zon. Tot de regen echt doorzet en we vlug teruglopen naar ons onderkomen, bed 21 en 22.
2 maart 2023

El Fin del Mundo
Ruta del Fin del Mundo staat er op borden langs de kant van de weg. Nooit geweten dat de weg naar het einde van de wereld zo mooi is. Kilometers ver uitzicht naar alle kanten, kaal, licht glooiend landschap, wilde wolkenpartijen, meertjes met schuimkoppen en nog steeds extreem harde wind. Het liefst stoppen we om de paar kilometer om te kijken en foto’s te maken. Maar we zijn onderweg naar Puerto Natales, onze laatste pleisterplaats voor het beroemde Nationale Park Torres del Paine en dat is nog een aardige afstand. 
Midden in dit lege landschap is een klein cafeetje waar ze de lekkerste koffie verkopen die we tot nu toe hebben gedronken. Waar we naar toe gaan, vraagt de vriendelijke verkoper. ‘Naar Puerto Natales.’ ‘Pas maar op met de wind,’ zegt hij, ‘de autodeur kan zomaar uit je handen waaien.’ Bij het cafeetje staan twee volgepakte fietsen, bagage voor én achterop. Zijn die onderweg naar Punto Arenas? Dat hele stuk over die kale vlakte met de wind schuin tegen? De fietsers verschuilen zich blijkbaar ergens binnen, want we zien ze niet. En we komen ze ook later nergens meer tegen. Of zouden ze gewoon in het café gebleven zijn, wachtend tot de wind verdwijnt. 
1 maart 2023

De straat van Magellaan
We staan aan de straat van Magellaan in Punto Arenas; wijds, ruim en indrukwekkend. Witte kopjes op de golven, een dikke laag wolken, de lucht afwisselend helder of grijsblauw. Het waait hard, stormachtig. Onze excursie naar de pinguïns is niet voor niets afgezegd, ze hebben het over windsnelheden van 60 kilometer per uur. Op de steiger zitten of staan, dicht tegen elkaar aan, honderden vliegende pinguïns. 
De straat van Magellaan, alleen het uitspreken van die naam al! Ooit voeren hier grote houten schepen, op weg naar de zuidpool, het eind van de wereld. Stoere mannen aan boord die geen idee hadden van wat hen te wachten stond. Later op de dag bezoeken we een paar van die schepen, waaronder de Beagle waar Darwin in voer. Groot en hoog liggen ze op het droge. We lopen rond over het dek, zien de hangmatten waar ooit zeelui in sliepen, nauwelijks ruimte om je hoofd op te tillen, de iets ruimere hut van de kapitein. In gedachten hoor ik het kraken van hout, het klotsen van water, het bonken van het schip op de golven, het piepen van lieren, het klapperen van zeilen, het schreeuwen van bevelen. Mijn respect voor die zeemannen van toen neemt met de minuut toe. Wat een bikkels waren dat.
27 februari 2023

Castro
In 2004 waren we ook in Castro op Chiloé, maar het enige wat we ons daarvan nog herinneren is de grote overdekte markt en de eethuisjes daarachter waar je volop vis kunt eten. En vaag de palafitos, woningen op palen boven het water.  We logeren in zo’n huis en vanaf ons terras kijken we uit over Rio Gamboa, die meedoet aan eb en vloed. Vanaf de brug is het een feest om naar de vrolijk gekleurde huizen te kijken.
Castro is een stad met steile weggetjes, veel houten huizen en natuurlijk de kerk aan het Plaza de Armas in het middelpunt. Merkwaardig genoeg loopt de grote doorgaande route 5 dwars door de hoofdstraat van het stadje.  Vandaag is het bewolkt en af en toe regent het. De meeste mensen dragen dikke jassen of vesten. Men slentert, doet een hapje, luistert naar straatmuziek. Met een collectivo (een deeltaxi, waarom hebben we niet zo’n fantastisch systeem in Nederland) rijden we naar het park waar een festivalletje is. Er zijn veel hutjes met Artesanias, bier en eettentjes. En muziek natuurlijk. 
24 februari 2023

Pinguïns
Vanuit Ancud op het eiland Chiloé rijden we naar Natural Islotes de Puñihuil. We kiezen een weg die hoog over het kustlandschap slingert en duizelingwekkend steil naar beneden recht op het strand uitloopt. Daar kun je pinguïns spotten. Maar daar komen we niet voor.
‘Willen jullie echt geen pinguïns zien,’ vraagt de vriendelijke meneer op het strand. 
‘Wij gaan in Punta Arena pinguïns spotten,’ zeg ik.
‘Wanneer?’ vraagt hij. 
‘Maandag.’ 
‘Dat is bijna een week later,’ zegt hij en kijkt een beetje moeilijk. Er zit een speekselbelletje in zijn mondhoek. ‘Nu zijn ze nog hier, ze vertrekken binnenkort naar Antarctica. Jullie kunnen beter hier kijken.’ Wij schieten in de lach en hij lacht vrolijk mee. 
‘We gaan wandelen, dat kan hier toch ook?’ Zeker.’ Hij wijst naar een uitkijkpunt verderop. Daar is het ook mooi. En dat is waar. Van bovenaf hebben we rondom uitzicht op kust, rotsen en een grillige lucht. We zien hoe de bootjes met pinguïns-zoekers om een rots heen varen, even blijven liggen en weer een stukje verder varen. Als ik mijn verrekijker had meegenomen had ik de pinguïns vanaf hier kunnen zien. Als ze er zijn. 
23 februari 2023

Puerto Varas
‘Leven jullie echt onder zeeniveau,’ vraagt hij nieuwsgierig als hij hoort dat wij uit Nederland komen. Hij zit in de hal van de kerk die boven de huizen uit torent en kijkt ons vriendelijk aan. ‘Maar wat doen jullie dan als het water stijgt?’ ‘Zwemmen,’ zegt Jan. De man lacht uitbundig en wijst ons verder de kerk in. Die is van hout, zoals vrijwel alle oude gebouwen hier, heeft een schitterend blauw plafond en is opgedragen aan Maria. Hoog aan het plafond hangen grote glas in lood lampen. In al zijn simpelheid is het een prachtig kerkje. We wandelen door een buurt waar ooit een groep Duitsers zich heeft gevestigd. Veel van de  huizen die ze toen bouwden, zijn er nog. En het stikt er van de cafés met kuchen. Kuchen zijn in dit geval taarten in soorten en maten die er vooral verrukkelijk uitzien. Onze wandeling voert ons langs het LlanquihuemeerWe zijn niet de enigen. De Chilenen hebben vakantie en dat merk je, het is druk in Puerto Varas. In de winkelstraten, op de terrassen en aan het strand. Bij een tentje in de buurt halen we empenadas, gaan zitten op een stenen muurtje en kijken uit over het water en de verte. Het waait hard en de wind is koud, maar met de zon erbij is het hier goed uit te houden. 
21 februari 2023

Zondagmorgen in Puyehue
Het is zondagmorgen en het is bewolkt, het miezert zelfs een beetje. Dus rijden we naar het Nationaal Park, want zegt onze Franse gastvrouw ‘vanmiddag trekt de lucht weer open en dan kunnen jullie naar de vulkanen.’ We rijden route 215 af speurend naar de ingang. Opeens zien  we een groot bord waarop staat dat hier de grensovergang naar Argentinië is, en voor we het weten staan we in de rij naar de grens. Dat is niet de bedoeling, dus keren we om en rijden zowaar in één keer goed naar de ingang van het park. Een aardige boswachter legt ons uit welke routes we kunnen nemen, de kortste is tien minuten. Daar beginnen we mee. Het pad gaat gestaag omhoog, er zijn watervalletjes, enorm dikke bomen en veel bamboe. Het lijkt een tropisch regenwoud, maar dan zonder de tropische temperatuur daarbij. Achter ons loopt een echtpaar waarvan de man een indrukwekkende machete aan zijn heup draagt. ‘Wat gaat u daar mee doen?’ vraagt Jan. De man zwaait met het enorme mes en hakt een takje voor ons weg. We bedanken hem eerbiedig. De beloofde tien minuten zijn er beduidend meer, we lopen al zeker een uur. Of heb ik het gewoon niet goed verstaan? Maar het doet er niet zoveel toe, het is hier mooi, het ruikt aangenaam en we lopen lekker. Op de top kijken we uit op een spetterende waterval. Boven ons trekt de lucht langzaam open. 
19 februari 2023

Vulkaan
Vandaag ben ik Cathy. Dat vindt ze gemakkelijker te onthouden. Camilla is 31 jaar, heeft twee jonge dochters en sinds een jaar haar eigen bedrijf als gids in Pucón. Met zwarte krullen en stralende donkere ogen. We rijden naar de voet van de vulkaan waar we beginnen met onze wandeling. Het waait hard en de wind is koud, maar met muts, fleece en jas houden we het goed warm. ‘De vulkaan is onrustig,’ vertelt ze, ‘we verwachten een uitbraak binnenkort, maar je weet nooit wanneer het komt. ‘s Avonds kun je het vuur daarboven zien branden.’ We lopen over brokken zwart-grijze lava  en vandaar slingert het pad het bos in. Enthousiast wijst ze ons op een specht die tegen de boom geplakt lijkt en met zijn felrode kopje ijverig aan het hakken is. De weg kronkelt verder door hoge bamboe struiken en inheemse bomen waarvan ze namen noemt die ik onmiddellijk weer vergeet. Ze toont ons geheime specerijen van de Mapuches die naar peper smaken, besjes die op mini-appeltjes lijken en lichtblauwe bessen die me in de verte aan bosbessen doen denken.
‘Hoe lang zijn jullie al samen,‘ vraagt ze als we een korte pauze nemen. 
‘35 jaar,’ zeg ik. 
‘Wat is jullie geheim?’  
‘Misschien wel dat we niet bij elkaar wonen,’ zeg ik. 
‘Echt? Dat heb ik nog nooit gehoord.’ Van verbazing valt ze bijna van een rots. 
Na een lange klim bereiken we het uitzichtpunt. ‘It will take your breath away,’ staat er in de beschrijving, en dat klopt. Aan alle kanten bergen, de vulkaan op schijnbare loopafstand met her en der besneeuwde stukken en ver in de diepte donkerblauwe meren. ‘Daar verderop zijn kraters,’ zegt ze tegen me als we weer afdalen. ‘Wil je ze zien?’ Terwijl Jan zich tegen een warme steen vlijt lopen wij het rotsachtige terrein op. Even later draait ze zich om en kijkt me aan. ‘My boyfriend is a grumpy one,’ zegt ze dan. Ze loopt weer verder. En na een tijdje:’But he is working on that.’
En na weer een tijdje: ‘The thing is, I love him.’ We schieten samen onbedaarlijk in de lach. 
17 februari 202

Pucón
Waar is het centrum,’ vraag ik aan een man in een hotel. ‘Wat bedoelt u?’ zegt hij, ‘de restaurants en winkels zijn in de straat hierachter.’ Maar dat bedoel ik niet. Ik zoek een ziel, een middelpunt, iets wat deze stad uniek maakt. We snappen Pucón gewoon niet. Het stikt er van de toeristen, de hoofdstraat staat barstensvol hotels en er zijn minimaal drie enorme supermarkten. Halverwege de stad is een groot veld waar wat huisjes staan die blijkbaar voor de verhuur zijn, met wat terrasjes en vage winkeltjes. ‘Het lijkt wel een camping uit de jaren zestig,’ zegt Jan. 
Veel meer zien we hier niet. Het enige waar ik steeds naar kijk is de vulkaan aan de horizon. Hij staat daar zo prominent in het landschap, met voortdurend een wolkje aan zijn mond. En dat doet me weer denken aan een haiku die op de muur geschreven stond van een leslokaal tijdens mijn studie: ‘Ook jij dikke huisjesslak beklimt de Fuji, maar langzaam langzaam.’  
16 februari 2023

Salvador Allende
Stefano is 27 en hij is dolblij dat hij weer kan gidsen. Enthousiast leidt hij ons groepje langs oude koloniale huizen, de gebruikelijke verkoop op straat van alles wat je je maar bedenken kunt (ik zie een meneer die alleen een plastic tas vol kleerhangers in de verkoop heeft) en door overdekte markjes met hoog opgestapeld fruit. Aan het eind wacht hij ons op met een zak vol aardbeien. 1000 peso’s voor een kilo, (€1,22). ‘Nu gaan we met de metro,’ zegt hij en loodst ons ondergronds naar een kerkhof midden in Santiago. Ik heb nog nooit zo’n groot kerkhof gezien. ‘Zo groot als 110 voetbalvelden,’ vertelt hij trots. Één voetbalveld kan ik me nog wel voorstellen, twee ook nog wel, maar 110? Het is gewoon een dorp met weggetjes en splitsingen en kruispunten. Een plek voor een kist kost hier één miljoen peso’s per jaar, (ongeveer € 2000). Fijn dat we dat ook weer weten. Hij eindigt zijn rondleiding bij het enorme grafmonument van Allende. 
‘Ik wil nu nog wat vertellen over Pinochet en Allende,’ zegt Stefano. We zitten in de schaduw op de trap van een ander groot monument, terwijl we naar hem luisteren. ‘Ik ben niet onpartijdig,’ zegt hij, ‘mijn familie heeft een nare geschiedenis met Pinochet.’ We worden  stil van zijn verhaal. Zijn geschiedenis is nog zo dichtbij. ‘Dit was wat ik wilde vertellen,’ zegt hij dan, ‘wil iemand nog een aardbei?’
15 februari 2023

Santiago de Chile
‘Waar kunnen we pinnen?’ vragen we aan onze vriendelijke gastvrouw. Ze zegt iets over een ziekenhuis, tekent een hokje op de kaart en wijst ons naar de grote weg. Buiten is het druk en warm, heerlijk weer voor blote benen en een t-shirtje. Waar het hokje op de kaart getekend staat, is een groot gebouw, maar het is met stevige kettingen afgesloten. We lopen om het gebouw heen en komen bij een soort kantoor waar best een pinautomaat zou kunnen zijn. Maar de meneer binnen, in keurig uniform, verwijst ons naar de metro iets verderop. Daar staan inderdaad drie pinautomaten. Maar het apparaat roept: ‘Transactie mislukt,’ en na een paar pogingen geven we het op. Weer buiten op straat klampen we een ouder echtpaar aan. Jazeker is er een cajero hier in de buurt. Met ons mondjevol Spaans en hun brokkelig Engels begrijpen dat we terug moeten naar de hoofdweg. In de buurt van het ziekenhuis is ergens een heel kleine bank, die je bijna niet ziet en daar kunnen we pinnen. We lopen langs hetzelfde grote gebouw, waar nu de kettingen verwijderd zijn, langs de ingang van een ziekenhuis en zien dan inderdaad een klein pand waar duidelijk ‘Scotia’ op staat. Opgelucht willen we naar binnen, maar er staan twee stevige mannen voor de ingang, die gedecideerd hun hoofd schudden: De bank is gesloten. Wat nu? Ze verwijzen ons naar het ziekenhuis hiernaast. ‘In het ziekenhuis? Kun je daar pinnen?’ ‘Si, si,’ knikken ze enthousiast. Aarzelend stappen we het ziekenhuis binnen. In de hal achter een corona-scherm, zit een vriendelijke dame met een mondkapje voor. Ze ziet ons aarzelen en vraagt wat we willen. Een pinautomaat. Bijna achteloos wijst ze naar achteren, het ziekenhuis in. ‘Maar,’ zegt ze er onmiddellijk achteraan, ‘u mag niet zonder mondkapje naar binnen.‘ Het blijft natuurlijk wel een ziekenhuis. We hebben de mondkapjes in het hotel achtergelaten. De dame wijst naar een straatverkoper vlakbij; ‘hij verkoopt ze.’ Maar ja, we hebben (nog) geen geld. Besluiteloos staan we weer buiten aan de drukke weg. Nog steeds warm en meer dan ooit lonkt het biertje. Terug naar het hotel dan maar? En dan vindt Jan in zijn tasje zomaar een mondkapje, van toen dat nog overal nodig was. Het is er één, dus gaan we om de beurt naar binnen, maar wat een lekker biertje wordt het. 
14 februari 2023

Poezen
In de vensterbank ligt een poes te slapen. Hij opent slaperig één oog als ik op de bank daarnaast plaats neem, kijkt mij even aan en slaapt verder. Hij is 19 jaar vertelt ze en heeft blijkbaar pijn bij het eten, want hij eet nauwelijks meer. De lekkerste hapjes, antibiotica, prednison, niets helpt.
‘Hij is misschien gewoon klaar met leven, maar ik vind het zo moeilijk om hem te laten gaan.’  Ze aait hem zacht over zijn vacht en hij zucht van genoegen. We bevinden ons in Rotterdam in een flat op acht hoog en hebben vanaf hier een fantastisch uitzicht op de Maas. Grote schepen en kleinere bootjes varen voorbij. De lucht is een tikje heiig waardoor de bruggen nog meer opvallen. We kunnen bijna niet stoppen met kijken.
‘We hebben zo’n geluk gehad met deze woning,’ zegt ze. Her en der in de huiskamer liggen poezen te slapen in het zonnetje. Ze hebben er zes, waarvan twee witte die allebei doof zijn. Overal staan en liggen poezemandjes, zachte kussentjes en krab en klimpalen. Ik kijk weer naar het oude poesje. ‘Misschien is het wel heel fijn voor hem om hier gewoon in te slapen en niet meer wakker te worden,’ zeg ik. Ze knikt langzaam. Verderop varen twee lange schepen voorbij.
10 februari 2023

Telefoontje
Ik lijk wel vaste klant hier, dit is al de tweede keer in zeer korte tijd dat ik deze uiterst sjieke en aantrekkelijke winkel binnen loop. De vorige keer stond er een rij, maar vandaag zie ik geen andere klanten. Het is natuurlijk een gewone werkdag, realiseer ik me. De jongen achter de balie groet me enthousiast. Zou hij zo blij zijn dat hij een klant heeft, of zouden ze dat hier in de opleiding mee krijgen? De medewerkers lijken hier sowieso per bezoek jonger te worden. Ik leg uit dat ik nu wel een prachtig nieuw telefoontje heb, maar dat mijn oude oortjes er niet meer op passen. Dat begrijpt hij en natuurijk zijn er allerlei oplossingen voor die hij me duidelijk (alsof ik doof ben, wat ten dele zo is) en langzaam (alsof ik oud, wat ik ook ben, maar toch) uitlegt. ‘Weet u wat een powerbank is?’ vraagt hij terwijl hij lijkt te popelen om het me uit te leggen. Maar ik weet heus wel wat een powerbank is. En ik weet ook al lang wat ik wil, ook al verwacht hij dat ik een andere keuze ga maken. Als ik uiteindelijk kies voor draadloze oortjes maakt hij bijna een sprongetje van geluk. ‘Cool!’ zegt hij luid. Bij het afrekenen legt hij me uit wat er nog meer allemaal met de telefoon kan en hoe handig dat is en wat hij zelf zoal gebruikt. ‘Cool,’ zeg ik, maar wel zachtjes, want dat hoeft niet iedereen te horen.
23 januari 2023

Met pensioen
Mijn huisarts heeft het slim aangepakt. De komende weken kun je op vrijdagmiddag een afscheidsafspraak met haar maken: Ze gaat met pensioen. ‘Jij was hier zelfs eerder dan ik,’ zegt ze als we tegenover elkaar zitten. ‘Jij kwam in 1984, ik drie jaar later.’ Dat was met die prachtige tuin en dat grote statige huis, weet ik nog. ‘Ja,’ beaamt ze, ‘maar zo onhandig’. We halen andere herinneringen op, praten over gezondheid (de mijne vooral, ze blijft mijn dokter), en dan stel ik de vraag die ik helemaal niet wil stellen: ‘Wat ga je straks doen?’ Het werd mij een paar weken geleden zo vaak gevraagd, dat ik tenslotte een vast antwoord oplepelde: ‘Eerst rustig afbouwen, dan op reis en daarna? Geen idee,’ Ze kijkt me aan. ‘Eerst nog rustig wat klussen afronden, dan op reis en daarna? Voorlopig even helemaal niets.’ 
Ik ben ruim op tijd op het station en loop even de boekwinkel binnen. Mijn oog valt op een boek waarop in grote gele letters: ‘Een zee van tijd’ staat. Drie keer raden waar het over gaat. 
6 januari 2023

Een witte doos
Het huis op de hoek tegenover de brug wordt opgeknapt. Dat vertelt de werkman die buiten op de stoep een sjekkie staat te dampen. De deur naar binnen staat wagenwijd open en we kijken recht in een grote chaos, charmant beschenen door een felle werklamp. ‘Zie je die spijlen daar? Die komen hier weer helemaal terug.’ Hij wijst naar een raam boven de deur van het huis waar we voor staan. We kijken naar boven. Het wordt inderdaad een fraaie opgeknapte serie panden naast elkaar. Het huis waar het om gaat is laag en zonder die felle lamp, lijkt het een donkere woning. ‘Hier woonde voorheen een oudere vrouw,’ gaat de man verder, ‘ze heeft hier jaren gewoond.’ Hij blaast een wolkje rook uit. ‘Zonder benen.’ Ik stel me de oude dame voor in het donkere huis, met de lage zoldering, zonder benen. De man gooit zijn peukje op de grond, trapt het uit en loopt naar binnen. In de deuropening draait hij zich nog even om. ’Ze ligt nu ergens in een doosje,’ lacht hij, ‘een grote kist was niet nodig.’ Terwijl we verder lopen denk ik aan een zwart stukje aarde, met diep daaronder in de grond een smalle witte doos. 
2 januari 2023

Het keukenkastjessyndroom
Er zitten scheuren in het gordijn van mijn slaapkamer. Dat komt nu eenmaal van jarenlang gebruik. Je zult maar gordijn zijn en elke dag open, dicht, open, dicht worden getrokken, iedere dag opnieuw. Dat moet opgeknapt en ik weet hoe: eerst het gordijn eraf, dan een paar haken eruit, stukje gordijnband los tornen, een ruime rand knippen langs de scheuren, stof op elkaar leggen, spelden, vastnaaien, gordijnband terug plaatsen en vastnaaien, haken er weer in en ophangen, klaar. Dus zit ik even later met het gordijn op de vloer van de huiskamer en haal de haken eruit. Tot zover gaat alles volgens plan. Maar dan zie ik hoe vies het gordijn is, bijna zwart aan zowel de bovenkant als de onderkant. Dat komt natuurlijk ook door dat jarenlange. Eerst herstellen, besluit ik, dan wassen. Maar dan moeten wel alle haken eruit. Toch? En, realiseer ik me, dan moet het andere gordijn ook. En het kozijn kan ook wel een sopje gebruiken.. Dit dus, iets dient zich aan als een klein klusje en mondt uit in een grootscheepse opknapbeurt: het keukenkastjessyndroom.
31 december 2022

Raadsel
‘Dinsdagavond wordt er een bos bloemen bij je bezorgd,’ appt ze. Ze zegt het voor de zekerheid, omdat we ondertussen wel weten dat niet alles wat wordt besteld op tijd wordt bezorgd. De dinsdag gaat echter zonder bloemen voorbij en ook op woensdag komt er niets. Op donderdag appt ze me opnieuw: ’je kunt de bloemen ophalen bij een afleveradres bij jou in de buurt.’ Ik fiets er na mijn werk direct even langs en de man doet echt zijn best. Maar de hele achterwand van de winkel staat vol met pakjes in soorten en maten. We proberen daartussen een boeket bloemen te onderscheiden, maar nee, nergens staat mijn naam op. De man tuurt in zijn computer. ‘Ik lees hier dat er morgen een bestelling voor u binnenkomt,’ zegt hij.
Vrijdag loop ik door de stromende regen mijn bloemen tegemoet, maar nee, wederom is er niets te vinden. Ik licht de gulle gever in, die onmiddellijk de bloemleverancier belt. Met duizend maal excuses krijgt ze de belofte dat er volgende week donderdag een nieuwe en verse bos gebracht wordt. Als ik donderdagavond thuis kom staan er inderdaad bloemen op me te wachten: twee bossen! De ene bos zit in een grote doos die bij nadere inspectie de sticker draagt met het adres van de ophaalwinkel daarop. De bloemen die er in zitten, hangen een beetje en zijn een tikje verlept. Gelukkig bestaat de andere bos uit vers geurende vrolijke rechtopstaande bloemen.
29 december 2022

Cava
‘Vanavond vieren we dat ik morgen 70 wordt,’ zegt ze en haalt een fles cava uit haar rugzak tevoorschijn. 70, dat heette vroeger bejaard, dan was je stokoud, en nu naderen we allemaal die merkwaardig grens. ‘Ik dacht altijd dat ik dit uitbundig ging vieren,’ vertelt ze, ‘maar de laatste tijd word ik er eerder weemoedig van. Omdat ik hier al ben, het grootste deel van mijn leven zit er al op.’ We zwijgen en mijmeren. Over het jaar dat achter ons ligt en over de tijd, hoe ze soms holt, dan weer stokstijf stil staat. En hoe we nu, ineens lijkt het, zijn aangekomen bij die laatste grijze dagen van december. Zomaar. Alsof we zijn mee gereisd, op weg naar, tja, naar wat eigenlijk. Naar nu? ‘Laten we drinken,’ besluiten we, ‘om te vieren dat er een nieuw jaar in aantocht is.’ Als iedereen weg is en ik de kopjes en bordjes opruim, vind ik onder de bank de kurk van de fles cava. Proost!
21 december 2022

Sporen
Door de sneeuw loopt een dun spoor van vogelpootjes. Van de tuinrand naar de tafel en met een klein boogje weer terug. Ik stel me voor dat een vogel – was het een merel, ik herken de sporen niet – hier vanmorgen vroeg in alle rust en stilte besloot om een kijkje bij de tafel te nemen. Dat hij daar een tijdje rond heeft gescharreld, op zoek naar kruimels of ander lekkers, een tikje teleurgesteld om zich heen heeft gekeken en toen onverrichter zake, weer terug is gehipt. Het kopje hangend, verdrietig heen en weer schuddend. Ik verbeeld me dat ik in die pootjes in de sneeuw nog iets van zijn zoektocht terug zie. Zou het me daarom zo ontroeren?
18 december 2022

Winterslaap
Er ligt een dun laagje sneeuw op de potten met kruiden. Een tikje weemoedig denk ik aan hoe ik ze deze afgelopen zomer heb vertroeteld. Een pluimpje rook komt uit de schoorsteen en verdwijnt in de grijze lucht. Een ekster vliegt kwetterend op en nestelt zich op een boomtak iets verderop. Achter een raam aan de overkant staat een vrouw met een theedoek in haar handen. Terwijl haar handen met de doek in de weer zijn, kijkt ze mijn kant op. Staart zij naar mij zoals ik naar haar? Dit is zo’n dag waarop de wereld zich terug lijkt te trekken uit het leven. Alle geluid verdwijnt, alle beweging valt stil. De dag rolt zich op in een diepe winterslaap.
17 december 2022

Engelenhaar
Op mijn wandeling door de buurt mag ik overal ongegeneerd naar binnen kijken, want ik doe onderzoek naar het aantal kerstbomen dat al kant en klaar staat te pronken. Ik tel er zestien. Zelf heb ik er niet een, nooit een gehad, sinds ik uit huis ben, ondertussen meer dan een mensenleven geleden. Vroeger kwam de kerstboom tegelijk met de kerststal de huiskamer in. De licht vochtige dozen met de kwetsbare ballen, de piek verpakt in een aparte doos met een versleten elastiekje en onze eigen beeldjes. We hadden er allemaal één gekozen. Ik herinner me een zilverkleurig huisje, met groene en bruine raampjes. Als de boom vol hing, drapeerden we slierten engelenhaar over het geheel. Dat haar zag er zacht en vriendelijk uit, maar prikte gemeen in je huid. ‘Het symboliseert ijspegels’, lees ik op Wikipedia. IJspegels en engelenhaar? Merkwaardig. Ik wandel door, tel en kijk. Zo warm dat licht, en uitnodigend ook. Heel even voel ik met het meisje met de zwavelstokjes. Dan glimlach ik en loop door. 
10 december 2022

Champagneglazen
Omdat ik een feestelijke presentatie van mijn boek ‘Kanker doet wat met een mens’ heb, ga ik op zoek naar plastic champagneglazen. Ik weet het: plastic, weggooiartikelen, daar doe ik helemaal niet aan mee. Maar toch. De glazen, die je natuurlijk geen glazen mag noemen, worden verkocht in setjes van zes. Stapelbaar. Reuze handig. Ik stop ze in mijn al volle tassen, hang ze aan het stuur en fiets naar huis. Later, thuis, zie ik, dat ik een pakketje glazen mis. Vreemd. Ik controleer het bonnetje, ik heb ze echt gekocht. Ik zoek in tassen, kijk op plekken waar ik ze mogelijk heb neergezet, loop naar de fietsenschuur. Maar nee. Zal ik terug fietsen? Opnieuw naar de winkel? Ik twijfel. Besluiteloos sta ik op de stoep van mijn huis. En dan denk ik: ‘Stel dat iemand het pakketje vindt, laten we zeggen een leuke vrouw op leeftijd nog volop in het leven, die al heel lang een lekkere fles met bubbels klaar heeft staan. Maar ja, die glazen. En dat zij dan mijn pakketje glazen vindt, opraapt en ter plekke besluit om nu eindelijk die leuke buurman uit te nodigen, vanavond nog.
25 november 2022

De zee, de zee alleen
Het stormt. Windkracht 7 meldt het journaal, maar dat lijkt me overdreven. En het regent. Dus vandaag eindelijk naar Museum Tromps Huys, dat al de hele week lonkt. Vooral vanwege een boek in de etalage: de biografie van Betzy Akersloot, geschreven door Tineke Hendriks met als titel: ‘De zee, de zee alleen’. Betzy noemde zichzelf zeeschilderes. Dat vind ik zo’n leuke naam, dat ik alleen al daarom al nieuwsgierig naar haar ben. Ze is geboren in Noorwegen, wijdt zich al op jonge leeftijd aan de kunst en komt met haar man naar Vlieland waar ze leeft van 1850-1922. Ze schildert vooral zee- en kustgezichten. Het museum hangt er helemaal vol mee; stormende zee, de zee bij nacht, schepen in de verte. Aan de achterkant van het huis ligt de dijk en de Waddenzee. Daarvoor, in de tuin staat nog haar atelier. Natuurlijk koop ik het boek. Het heeft me al hele week geroepen. 
Over de dijk loop ik terug naar huis. De wind rukt aan mijn jas, de regen kleddert op de capuchon. Rechts ligt het voormalige atelier van Betzy, links de Waddenzee. Het licht van de vuurtoren brandt al, twee seconden aan, twee seconden uit. ‘De zee,’ denk ik, ‘de zee alleen’. 
17 november 2022

Kwijt
‘Vandaag niet te ver,’ besluiten we, ‘de wandeling van gisteren zit nog in onze spieren.’ Via de haven lopen we het strand bij camping Stortemelk op. Op een vlondertje eten we een mandarijntje. De lucht is strakblauw, de zon schijnt en er is een aangenaam windje. In de verte ligt Terschelling, de Brandaris steekt hoog de hemel in. Het strand is breed en ligt bezaaid met schelpen, stukjes hout en af en toe een kwal. ‘Hoe ontstaan schelpen eigenlijk?’ vraag je. Daar mijmer ik over terwijl badhotel Seeduyn steeds dichterbij komt. Daar gaan we wat drinken en dan langzaam richting Dorpstraat naar het museum, waar ik al de hele week naar toe wil. Nog even een foto van de kustlijn, het blauw is zo mooi zacht vandaag. Ik zoek mijn mobieltje, maar het zit niet in mijn tas, niet in mijn jas, niet in mijn binnenjas. Ik zet mijn tas op het zand, haal alles er stuk voor stuk uit: niets. Jaszakken leeg: niets. Er zit niets anders op: terug! 

Turend over het zand lopen we langzaam dezelfde weg terug. ‘Heeft u misschien een bruin etuitje gevonden met een mobieltje erin’, vraag ik aan een wat oudere man die op een strandpaal zit en zijn schoenen uitschudt. Nee, natuurlijk niet. ‘Zal ík u eens bellen?’ vraagt hij. Ik hoor mijn eigen stem uit zijn telefoontje komen. Mijn mobieltje doet het, maar waar is het? We lopen weer door. ‘Zit het echt niet in je binnenzak? In je capuchon misschien?’ Aan de wind voel ik dat we aan de punt van het eiland komen. Zover zijn we echt niet geweest. Weer terug. ‘Waar is dat vlondertje?’ Moedeloos sjokken we door. Een klein bruin etuitje op een strand bezaaid met stukken hout. Wie houden we voor de gek? Er dwarrelt van alles door mijn hoofd: Foto’s zitten ook op iPad, ben ik nu alle contacten kwijt, in het dorp eerst naar de politie, hoe lang duurt het voor ik een nieuwe heb, hoe bereik ik onze gastvrouw, waar heb ik ‘m voor ‘t laatst gebruikt enz. Opeens doemt het vlondertje op. Daar heb ik een foto gemaakt, dat weet ik zeker. Ik kijk naar mijn lief die voor me uit loopt. Hij blijft bij het vlondertje staan, kijkt, niets. Teleurgesteld kom ik bij hem staan. ‘Die vinden we niet meer.’ Ik wroet met mijn voet in het zand. liggen de schillen er nog? En dan , misschien omdat de zon er net opvalt, zie ik het liggen. Een beetje verstopt in het zand. Het zilverkleurige toestelletje piept uit zijn etuitje tevoorschijn. Hij is nat en koud, maar levend!
‘s Avonds app ik de vriendelijke meneer van het strand: ‘Heb mobieltje weer gevonden! Zo blij! Dank voor uw hulp. Carla.’Het antwoord komt direct: ‘Zijn blij voor jullie. Nog prettige dagen. Klaas en Jantje.’ 
15 november 2022

Kwelders
Ongemerkt zijn we op het militaire deel van het strand terechtgekomen. Rode vlaggen en grote waarschuwingsborden vertellen ons dat we niet verder mogen. En al hebben we niets illegaals gedaan en komt er geen colonne woedende soldaten op ons af gestormd, echt prettig voelt het niet. We willen de korte route door de Kroon’s Polders, maar het gps-systeem van mijn mobieltje gedraagt zich besluiteloos en de papieren kaart biedt niet echt soelaas, want we weten niet precies waar we zijn. We kiezen een drassig paadje, waarvan we vermoeden dat het in de juiste richting gaat. Het pad slingert door een soppig landschap, moddert spettert op mijn broek. Gaan we goed? Gelukkig komt ons een vrolijke dame met hond tegemoet. ‘Het Posthuys? Jazeker, gewoon dit pad volgen, dan kom je er vanzelf.’ Het pad wordt breder en ineens bevinden we ons tussen de kwelders. Water, riet, een omfloerst zonnetje. Aan de horizon de Waddenzee. Verder enkel stilte, zelfs de meeuwen zwijgen. 
14 november 2022

Gloppen
Koningin Wandaglop, Jan Cupidoglop, Chirurgijnsglop, Betzy Akerslootglop. Vlieland heeft wel zeventien gloppen. ‘Een glop is een smal doodlopend steegje’, lees ik in het etymologisch woordenboek. Tegenover ons onderkomen is de Cornelis Trompglop. ‘De vraag is of Cornelis Maartenszoon Tromp ooit voet aan wal heeft gezet op Vlieland’, zegt de gloppengids. De glop van Tromp komt uit op de dijk en daarachter ligt glorieus in het zonlicht de Waddenzee. Een paar meeuwen dobberen op het water. 
Aan het eind van de middag loop ik nog even terug naar het wad. Deze keer door de Koningin Wandaglop Er is een oude legende dat Wanda heerste over Vlieland toen dit nog verbonden was met het vaste land. Over het wad gaat de zon in helder geel en oranje onder. Het slijk glinstert in het laatste licht van de dag. In de verte geeft de veerboot drie doffe stoten, klaar voor vertrek. Had ik ook maar een glop, de Carla Huismanglop. Maar ja, als wat? En waar?
13 november 2022

Vlieland 
Het winkeltje is zo smal dat we voorzichtig om elkaar heen manoeuvreren met onze boodschappenmandjes. Toch verkopen ze bijna alles wat we willen. Alleen de chocolademelk zie ik nergens staan. Ik zoek de bedrijfsleider die energiek door de winkel heen en weer loopt. Hij is licht rossig en eigenlijk te groot voor deze winkel; in zijn eentje vult hij met gemak het gangpad. Net als ik hem wil vragen waar de chocolademelk staat, schuift een oude man voor me langs. ‘Waar is mijn stok?’ vraagt hij. Hij heeft zijn pet diep over de ogen getrokken. Zijn stem klinkt hard en bijna beschuldigend. De chef kijkt hem vriendelijk aan. ‘Had u hem bij zich toen u binnen kwam?’ vraagt hij. De man bromt bevestigend. ‘Dan gaan we even zoeken.’  ‘Als u op uw zoektocht de chocolademelk tegen komt?’ gooi ik ertussen. Nonchalant wijst hij met zijn duim over mijn schouder naar een schap vlakbij. Ik kijk hoe de bedrijfsleider door de winkel loopt met het mannetje hobbelend achter hem aan. Ik moet opeens denken aan wat ik eens heb gelezen over gevonden voorwerpen in de trein: daar zijn soms beenprotheses bij. Als we afrekenen zie ik hoe het mannetje, net voor ons, naar buiten schuifelt. Met stok. 
12 november 2022

Verloopnippeltje 
‘De fietsenmaker is ziek,’ zegt de man die vanmorgen in de fietsenstalling staat. In zijn blauwgrijze stofjas ziet hij eruit alsof hij hier al jaren werkt, maar ik heb hem nooit eerder gezien. ‘Lang ziek?’ ‘Hij heeft corona, hij blijft de hele week weg.’ Dat is pech, want de band van mijn fiets loopt langzaam leeg. Als mijn band vandaag geplakt kon worden, zou die vanavond klaar zijn en kon ik morgen weer fietsen. Maar nee dus. Dan toch maar de band zo hard mogelijk oppompen, besluit ik. Met een beetje mazzel haal ik net mijn werk. En vanmiddag in omgekeerde volgorde hetzelfde. 
‘Heeft u misschien een verloopnippeltje voor me,’ vraag ik. Hij kijkt me peinzend aan. ‘Weet u hoe zo’n ding eruit ziet?’ Ik loop met hem mee de werkplaats in en wijs een nippeltje aan. Samen lopen we naar mijn fiets. Ik pomp en hij staat lang en tanig naast me.
Als ik het nippeltje weer terug geef vraagt hij: ‘Kunt u banden plakken?’ ‘Jazeker,’ zeg ik, ‘mijn vader vond dat wij dat moesten kunnen. Ik ben hem daar nog dankbaar voor.’‘Ik heb nog nooit van mijn leven een band geplakt,’ zegt hij en kijkt er bijna triomfantelijk bij. Ik pak mijn fiets en loop naar de uitgang. Hij kijkt nog even om. ‘Ik heb zo’n hekel aan fietsen,’ roept hij me na en zwaait me vriendelijk uit.
12 oktober 2022

Schiphol
Om precies 17.10 uur stappen we Schiphol binnen, vier uur voor onze vlucht vertrekt. Ik heb al ingecheckt en we hebben enkel handbagage, dus dit moet lukken. Op de site van Schiphol raden ze aan om vier uur van tevoren in de rij te staan. Het lijkt me lichtelijk overdreven, maar ach, dan zijn we in ieder geval op tijd. Monter sluiten we aan in de rij die via een omweg door de hal slingert. Maar als de rij de hoek omslaat, zie ik dat we opnieuw een grote hal doorkruisen. Meter voor meter vordert de rij, door de volgende hal, via een smal gangpad opnieuw een halletje in. Daar staat zowaar iemand die flesjes water uitdeelt. Weer een hal door. ‘Ik ga even roken,’ zegt mijn partner en kruipt onder het touw door. ‘Ik wacht niet,’ zeg ik terwijl ik weer een metertje vooruit stap. Dat stomme roken. 

Na deze hal worden we naar buiten geleid waar we met ons allen een lange tent in schuifelen. Ik probeer over de mensenmassa heen te kijken naar het eind, maar het is te ver weg. Langzaam naderen we de bocht, slaan die om en schuifelen aan de andere kant van de lijn terug. Ik ben ondertussen ruim een uur onderweg. Ik pak mijn boek en lees tussen de stappen door. De rij komt uit bij de vertrekhal en slingert daar weer naar binnen. Ik vermoed dat hij die rookt hier ergens weer de in de rij komt, maar ik zie hem niet. 
Langs de rand van de hal schuifelen we verder. Af en toe probeert iemand illegaal onder het touw door in de rij te komen, maar medewerkers- waarvan sommigen zwaar beladen met karabijnen- halen iedereen er zeer beslist uit. Is dat ook met hem gebeurd? Moest hij opnieuw aan het begin van de rij weer invoegen? Ik probeer uit te rekenen hoe ver hij achter me zit. Één uur, meer?

Ik ben de trap op richting security en kijk over de leuning naar de rij beneden. Geen partner te bekennen. Zit hij nog verder achter me? Het loopt naar vier uur en ik ben er nog lang niet. Opeens realiseer ik me dat hij dat nooit gaat halen. Ik haal het misschien niet eens. Wat te doen? Hij heeft alleen zijn instapkaart en hij heeft geen idee over de naam van het hotel of wat dan ook. En hij heeft geen telefoon. Zal ik alvast de reisorganisatie bellen? Misschien kunnen ze voor hem een latere vlucht regelen. Het is over vieren. Aarzelend kies ik het nummer: een keuzemenu. Als ik op kijk zie ik dat ik bijna bij de douaniers ben. Eerst hier doorheen besluit ik. Daarna bellen.

Ik pak mijn spullen uit de bak, trek mijn jas weer aan en doe de rugzak om. Verderop staat een bankje, daar maar eens actie ondernemen. Op dat moment hoor ik een bekend fluitje. Dat kan helemaal niet. Maar als ik me omdraai staat hij daar tegen een pilaar geleund en kijkt me lachend aan. Hij heeft beneden lang staan wachten, dacht dat hij mij had gemist en is toen maar ergens in de rij geslipt. En bleek dus iets voor mij te zitten. Opgelucht zetten we koers naar gate C13. We hebben zelfs nog even tijd voor een biertje. Het is rustig en we kijken op ons gemakje naar passagiers die in het vliegtuig naar Malaga stappen. Zij zijn vertraagd, maar wij blijkbaar ook, want aan onze balie is geen enkel teken van leven. ‘We vliegen pas om 19.45 uur,’ zegt mijn metgezel en wijst naar het bord waar onze vlucht moet staan. Dan eerst maar een hapje eten. Ik slenter langs het bord en zie dat we zitten te wachten op een vlucht naar Pisa. Het was me al opgevallen dat er zo weinig mensen zaten. We lopen naar de grote hal, op zoek naar een vluchtschema maar ik haast me niet. Het is al half zes, ons vliegtuig zou om 17.10 uur vertrekken, die hebben we gemist.

We komen langs een bijna uitgestorven gate en in mijn ooghoek zie ik Catania staan. Is dat onze vlucht? Ik trek toch maar een sprintje. De dames bij de balie kijken ons vragend aan. ‘Catania?’  We knikken en ze laten ons door. Geen enkele haast. Integendeel, het lijkt wel of we de eersten zijn. Maar het vliegtuig zit aardig vol. Net als we opgelucht onze plaats innemen roept de piloot om: ‘Dames en heren, we moeten nog even een wiel verwisselen en als we dan nog mee kunnen met dit slot vertrekken we over 45 minuten.’ We missen het slot vanwege iets met bagage wat ik niet helemaal begrijp, en we missen het volgende omdat het vluchtplan niet is doorgekomen bij de maatschappij waarmee we vliegen. Maar dat wordt ook weer ongedaan gemaakt omdat we lager gaan vliegen. Om het kwartier krijgen we afwisselend goed en slecht nieuws en we worden er steeds vrolijker van, wat maakt het eigenlijk ook uit. Uiteindelijk vertrekken we om 19.45 uur. En nu echt!
16 september 2022

Aukje
‘Aukje’ staat er in de steen gebeiteld en daaronder drie hartjes die in elkaar schuiven. Het is een ronde grijze steen, zo’n 30 cm in doorsnede. Meer is er niet. Aukje ligt hier, in de Bremer Wildernis begraven Een stukje bosgrond in het puntje van deze verder zo lege provincie. Met een beetje fantasie kun je het geruis van het IJsselmeer verderop horen. Dit is een natuurbegraafplaats pur sang. Af en toe verwijst een steen of een stukje hout naar iemand die hier zijn plaatsje heeft gezocht. Ik stel me er robuuste types bij voor met dikke wollen truien en onverzettelijke levenswijzen. Geen poespas, geen flauwekul, geen gedoe. ‘Mijn vader had hier best tussen willen liggen, ‘zeg ik. Grappig dat ik hier vlak voor zijn tiende sterfdag  toevallig langskom. ‘Maar dan had je moeder niet iedere week langs kunnen komen om een praatje met hem te maken,’ zeg jij. En dat is ook weer waar. 
3 september 2022

Ochtend
10,8 kilometer staat er op het tellertje van mijn fiets, ik ben over de helft. Links het witte kerkje waar ik vanmiddag weer langs kom en waar ik graag eens binnen zou kijken. Het is nog vroeg, er is daar geen enkel teken van leven. Rechts van me staat een pontificaal landhuis met een uitgestrekt gazon daarvoor. En daarvoor, op de stoep, zit een wat oudere man op zijn rollator. Grijze krullen, groen petje en een blije blik. Hij zit daar alsof dit de rest van de dag zijn zitplaats zal zijn en hij daar volkomen tevreden mee is. ‘Goedemorgen,’ roep ik in het voorbijgaan. ‘Goedemorgen,’ roept hij stralend terug. Met een glimlach op mijn gezicht fiets ik door, nog maar negen kilometer te gaan.  
25 augustus 2022

Flamingo’s 
‘Het zijn er zes, of zeven.’ Zoekend met het verrekijkertje kijken we naar het meer. Zeven flamingo’s! Ze zijn niet opvallend roze, eerder grijs, maar ik herken ze aan hun kromme snavel. We lopen de flamingoroute en wandelen door het Zwillbrocker Venn, net over de grens in Duitsland. Vanuit een vogelkijkhut spieden we de omgeving verder af. Aan de overkant staat nog zo’n hut. ‘Misschien kunnen we ze daar dichterbij zien?’ We lopen door een bosrijk gebied. Boven ons, in de lichtblauwe lucht een buizerd die wordt uitgedaagd door een kleinere vogel. In de stilte van de middag klinkt het piepen van de vogels luid door. Dit is een oud smokkelgebied, lezen we op een bordje. ‘Jouw vader zou een goede smokkelaar geweest zijn,’ zeg ik. Je knikt. Ik voel een lichte weemoed. Omdat zijn vader niet meer leeft? Of is het omdat smokkelaars hier niet meer voorkomen? De bramen onderweg zijn klein en droog, slechts af en toe vind ik een lekkere. ‘Gutentag zusammen,’ groet een stevig gebouwde tegenligger ons. De hut aan de andere kant ligt opeens voor ons. We klimmen het trapje op en kijken vol verwachting in de verte. Boomstronken genoeg, maar geen flamingo te bekennen. 
21 augustus 2022

Plankje
’Verkopen jullie dubbelzijdig plakband?’ vraag ik aan het meisje achter de balie. De winkel is zo enorm dat ik geen zin heb om op de bonnefooi op zoek te gaan naar een rolletje. ‘Helemaal achteraan,’ knikt ze. Heel even denk ik dat ze me voor de gek houdt, hoe kan ze nu zo zeker weten? Maar ze heeft gelijk, op de laatste wand in de winkel hangt een rij vol plakband. “Extra sterk” staat er zelfs op. ‘Gaat dit lukken?‘ vraag ik aan het meisje van de afdeling en laat het plankje zien dat ik zojuist heb gekocht, ‘het moet tegen een muurtje.’ Ze knikt beslist. ‘Ik heb het zelf ook gebruikt, als het eenmaal vast zit, kunt je er zelfs aan hangen.’ Ik kijk naar haar stevig gebouwde lichaam. ‘Aan hangen?’ ‘Bij wijze van spreken,’ lacht ze. Tevreden loop ik naar de kassa.
Thuis meten we precies uit waar het plankje moet komen. Voorzichtig plak ik het plakband op het plankje en trek de beschermlaag er af. Met ons tweeën duwen we het tegen de muur. Vast! Ik zet de potjes met kruiden erop. ‘Er past eigenlijk nog wel eentje naast,’ zeg ik peinzend terwijl ik het resultaat bekijk. Het ziet er goed uit, precies wat ik in gedachten had. Ik ruim de rol, de waterpas en het potloodje op en schenk een kop thee in. ‘Dat ging veel sneller dan ik dacht,’ zeg ik. We zwijgen een tijdje. Vanuit de keuken hoor ik een zacht scheuren, heel langzaam, bijna onhoorbaar. En dan, met een donderende klap, valt het plankje van de muur. De potten vliegen alle kanten op. Een overweldigende geur van massala drijft vanuit de keuken de kamer in.
13 augustus 2022

Wachten 
Zeven dames komen het terrein op fietsen. Vanonder de helmen komen zeven korte witte kapsels tevoorschijn. Ze zetten hun fiets op slot en overleggen. ‘Niets moet’, hoor ik een van hen roepen, en een hoop gelach. Geanimeerd wandelen ze naar een terras in de schaduw. Een oma (vermoed ik) in wapperende rok met kleinkind achterop zwiert de hoek om. Ze lacht vriendelijk naar mij. Ik zit op een bankje bij het fort, wacht en kijk. Er waait een zacht windje. Zo vroeg in de ochtend is het hier nog heerlijk koel. Op de achtergrond drijft een aangenaam muziekje langs. Even sluit ik mijn ogen en adem dit vredige moment in. Als ik weer kijk, komt mijn afspraak in fleurig oranje aan fietsen. Zoals altijd is ze precies op tijd, hoe doet ze dat toch?
13 augustus 2022

Kater
Er woont een rode kater op het plein. Soms ligt hij bovenop het dak van de schuur met zijn pootje nonchalant bungelend over de rand. Soms ligt hij midden op het plein en beweegt geen centimeter als ik met mijn fiets langs rijd. Hooguit tilt hij zijn kop op en kijkt me met één oog taxerend aan. Om vervolgens weer verder te slapen. Ik noem hem Sloerie. Of meneer Aansteller. Of Grote Baas. Maar ook daar trekt hij zich weinig van aan.
2 augustus 2022

Lawines razen
Hij heeft het plankje van de stoel voor hem uitgeklapt en zit voorovergebogen ingespannen te lezen. Zelf lees ik ‘Lawines razen’, een klassieker van Ann Rutgers van der Loeff. Vreemd om in zo’n koude wereld te dwalen terwijl buiten een droog en zomers landschap langs glijdt. Even later slaat hij zijn boek tevreden dicht, uit! Ik spiek naar de titel: Rosie’s project. ‘Het boek komt me zo bekend voor,’ zeg ik, ‘maar ik weet niet zeker of ik het gelezen heb. Waar gaat het over?’ Hij kijkt me aan en denkt na. ‘Over een man en die eh zoekt naar waar hij vandaan komt en eh dat lukt, geloof ik, niet helemaal.’ Ik schat hem ergens in de twintig, krullen, bril, olijke blik. Over zijn tanden lopen dunne bruine streepjes. ‘Vond je het mooi?’ Hij zwijgt een tijdje. ‘Ik heb het wel uitgelezen,’ zegt hij en pakt het boek aarzelend op. ‘Ik lees nogal langzaam. Soms moet het boek alweer terug voor ik het uit heb. Ik haal gemiddeld één boek per jaar.’ Hij kijkt me vrolijk aan. ‘En wat leest u?’  We raken aan de praat. Over lezen en boeken – ‘een boek kopen is voor mij goedkoper dan een abonnement van de bibliotheek’ – , Montessori scholen, studeren, de stage van zijn zusje – ze moet haar jaar helemaal over doen terwijl alleen de stage onvoldoende was -, mijn werk. Voor we het weten rijdt de trein het eindstation binnen. ‘Ik vind het bijna jammer, dat we er al zijn’ zegt hij, een tikje verbaasd. Op het perron gaan we ieder onze eigen weg. Vlak voor ik het perron afloop kijk ik nog even om. Hij kijkt op hetzelfde moment op. We glimlachen naar elkaar en zwaaien.
28 juli 2022

Handvat
Ik fiets langs de mooiste gracht van Utrecht en geniet van het zomerse groen. Opeens schiet het handvat van het stuur en stuitert weg. Ik stop en kijk om me heen. ‘Moet u hier zijn?’ vraagt een jonge politieagent die samen met zijn collega tegen de reling bij de gracht hangt. Ze wijzen naar het huis waarvoor ik sta. Nieuwsgierig kijk ik naar de voordeur. Ik zou wel willen dat ik hier moest zijn, maar nee. Ik schud mijn hoofd, en loop langzaam zoekend terug. Nergens een oud handvat te vinden. Ik loop weer naar de agenten en wijs op het stuur van mijn fiets. ‘Het handvat vloog er ineens af,’ zeg ik, ‘maar ik kan het niet vinden.’ ‘Het ligt vast onder een auto,’ zegt de jongste van de twee en duikt bereidwillig op zijn knieën. Ik kijk ondertussen verlangend naar de geheimzinnige deur. Kan ik misschien… ‘Ik zie niets,’ zegt de agent die weer van onder de auto tevoorschijn komt. ‘Ligt het misschien verderop?’ zegt zijn collega en wijst in de richting waar ik naar toe moet. ‘Maar ik kom van de andere kant,’ zeg ik. Hij kijkt me aan alsof hij voor het eerst in zijn leven ziet. Er stopt een auto achter me die met draaiende motor blijft staan en een geanimeerd praatje met de politiemannen begint. Ik kijk nog eens verlangend naar nummer 40 en stap dan weer op mijn fiets. ‘Bedankt,’ roep ik naar de mannen, maar mijn woorden gaan verloren in het geluid van de  ronkende auto. 
18 juli 2022

Aan de Maas
Vrijdagmiddag, wereldstad Rotterdam. We zitten op een bankje aan de Maas. Iets verderop aan de kade wordt een bruiloft gevierd. Een jong bruidje in stralend wit, de gasten met corsages, vrouwen steeltje omhoog, mannen steeltje naar beneden. Vlak bij ons bankje meert een tweede of is het al de derde Spido aan. Passagiers stappen in en uit. Lange vrachtschepen varen langs. Ze lijken haast te hebben, willen ze nog voor het avondeten binnen zijn? Achter ruitjes in de verte ontwaren we piepklein leven. Snelle gele watertaxi’s bumpsen over het water,  het golft onrustig. Aan de overkant van de rivier staat een indrukwekkende serie hoge gebouwen, het zou bijna New York kunnen zijn. We kijken, af en toe zeggen we wat. De zon schijnt, er waait een aangenaam windje en niets of niemand heeft haast. 
8 juli 2022

Volkspark
Het bankje waarop ik zit is eigenlijk meer een brok steen. Maar vanuit hier heb ik mooi zicht op de zes beelden iets verderop, gegroepeerd in een vierkant stuk grond. Mijn blik wordt getrokken naar het beeld van een vrouw, haar hoofd licht geheven. In haar armen een kind waarvan ik vermoed dat het  dood is. Het lijkt of ze het kind aanbiedt. Aan een God? Aan Iemand, wie dan ook die haar wanhoop ziet? De beelden staan los van elkaar, maar toch is het een groep. Het is bijna alsof de zes mij aankijken. Ik durf nauwelijks terug te kijken. Volgens een in zwarte letters geschreven tekst naast mijn bankje worden hier verschillende groepen oorlogsslachtoffers herdacht. De beelden zijn ontworpen door Mari Andriessen, lees ik ergens. Hij was de meest gevraagde kunstenaar voor oorlogs- en verzetsmonumenten en maakte beelden die duidelijk, helder en overzichtelijk waren. Ik blijf kijken naar de vrouw met haar kind. De zon schijnt heet op mijn hoofd, ik trek mijn petje iets verder naar voren. Ver boven ons drijft een zweefvliegtuig over. 
2 juli 2022

Corona
‘Hij is zó leuk,’ zegt ze terwijl ze naar hem kijkt met stralende ogen en lachende mond. Ik volg haar blik en glimlach als vanzelf mee. Ze draagt een lichte zomerjurk en heeft witte pareltjes in haar haar gevlochten. Hij draagt een sjiek donker pak, wat hem op een mooie manier ouder maakt. We bevinden ons midden in een zinderend feest dat zich van de ene plek naar de andere slingert. Boven ons een grote donkerblauwe hemel. ‘Ik heb zoveel woede in me,’ zegt ze dan, bijna verbaasd. Alsof ze het zelf nog maar pas ontdekt heeft. ‘Ik ben zo boos op corona. Ik ben zomaar twee jaar van mijn jeugd kwijt. Ik had van alles mee willen maken, domme dingen doen, me volzuigen met wat de wereld te bieden heeft.’ En ze vertelt dat ze haar kamer heeft opgezegd, haar baantje stopgezet en de stage afgesloten. ‘Ik wil op avontuur, dingen meemaken.’ Ze lacht er bij, geeft me een stevige knuffel en huppelt weer de dansvloer op. Licht als een veertje, moeiteloos zoals het soms zomaar even kan zijn. 
1 juli 2022

Brief
‘Heeft u misschien een pen voor mij?’ Een oudere vrouw, kort grijs haar, nette bril, staat naast de brievenbus. Ik denk dat ze op de uitkijk staat, want ze heeft mij en mijn tas al gespot en kijkt me licht dwingend aan. Ze heeft het goed gezien, want natuurlijk heb ik een pen bij me, ik ga nooit op stap zonder. Ze neemt hem dankbaar aan. In haar andere hand heeft ze een brief die ze onhandig op haar knie legt om iets toe te voegen. Ik kijk over haar schouder mee en zie dat ze héél voorzichtig op de naam van de geadresseerde een puntje toevoegt. ‘U houdt echt van de punten en de komma’s,’ zeg ik lachend. ‘Ja,’ zegt ze, ‘ik ben een Pietje Precies’ en duwt met een tevreden gebaar de brief in de brievenbus. 
29 juni 2022

Jas
Mijn sjieke winterjas wil schoon, dus breng ik hem naar de stomerij om de hoek. Er hangen wat kledingstukken in plastic verpakt en op de toonbank ligt een notitieblok met een stukje carbonpapier ertussen, een pen erbovenop. Achter de toonbank is een matglazen ruit, waar je vaag wat doorheen ziet schemeren. Ik stel me voor dat zich daar een enorme wasruimte bevindt, met stomende baden, vrouwen met blauwe schorten en rood aangelopen gezichten en wasgoed dat wappert in de wind aan lange lijnen die tot ver aan de einder zijn gespannen. De eigenaresse die ik wel eens in de deuropening zie staan als ik langsloop, komt zuchtend van achteren. Ze kijkt naar mijn jas die ik op de toonbank leg en knikt, dat gaat wel lukken.
‘Ik ben binnenkort een paar weken gesloten’, zegt ze als ik vraag wanneer ik de schone jas kan komen halen. ‘En ik weet niet of we daarna wel weer opengaan.’ Ze vertelt dat haar man in het ziekenhuis ligt en dat ze niet weet wat de toekomst brengen zal. Nu pas zie ik hoe moe ze is. Als ik naar buiten stap, trek ik de winkeldeur zachtjes achter me dicht. Is het omdat ik net een boek over de teloorgang van de middenstand aan het lezen ben, dat ik me een beetje treurig voel?
25 juni 2022

Het Ponkje
We doen een rondje Singel. Een groene route langs eeuwenoude muren. Af en toe drijft de geur van lindebloesem langs. Aan het water zijn her en der houten kades aangebracht, voor de bewoners van de kruisertjes die er afgemeerd liggen. ‘Dat ga ik ook doen als ik met pensioen ben,’ grap ik, ‘met zo’n bootje door Nederland varen.’ En blijf dan plotseling staan. Op de boeg van het bootje waar we langslopen staat: ‘Ponkje’. Ik ken maar één plek waar ik die naam eerder tegenkwam. Herinneringen schieten langs, zomerwerk in een bar bistro, een vechtpartij op een broeierige avond en hij die bij het Ponkje werkte en op wie ik razend verliefd was. ‘Ik zie dat jullie mijn boot bewonderen,’ zegt de eigenaar die net aan komt fietsen. ‘Het Ponkje,’ zeg ik en kijk hem vragend aan. Hij vertelt over een café in een Fries plaatsje waar hij al jaren komt en dat hij zijn boot heeft vernoemd naar dat eetcafé. Omdat hij daar zo graag komt. En omdat hij het zo’n leuke naam vindt.  ‘Een ponkje is een kerkenzakje,’ legt hij uit. Ik val stil. Meer herinneringen buitelen langs. Zou hij daar nog werken?
20 juni 2022

Roze
Op de steen voor mijn huis zit ik te wachten op mijn wandelmaatje. De zon schijnt en het waait. Het is wat frisser dan ik dacht. Maar om te wandelen kan het niet beter. Ik doe mijn ogen dicht en adem zon. Er hangt een lichte geur van afvalzakken. ‘Toe maar schatje,’ hoor ik opeens een stem achter mij. Ik kijk op. Een jonge vrouw, ik schat haar halverwege twintig, in roze trainingsbroek met een roze T-shirt daarboven. Ik denk dat ze in haar telefoon praat, maar ze heeft het tegen de hond die ze aan de lijn heeft. Het lijkt me een soort buldog, type stevig gebouwd, maar echt verstand van honden heb ik niet. Aan de rand van de stoep blijft ze staan om te kijken of ze over kan steken. ‘Ja, dat vind jij leuk hè,’ zegt ze tegen de hond terwijl ze de riem strak aantrekt. Het handvat is roze. Het beestje heeft zijn tong uit zijn bek en kijkt haar vanuit zijn lodderige ogen aan. Ik denk dat ik hem traag zie knikken, maar zeker weten doe ik het niet. 
20 juni 2022

Zondag
Deze keer lopen we in één keer goed. Het Groot Begijnhof in Leuven ligt waar het al eeuwenlang ligt aan de Schapenstraat, niet ver van de Naamsepoort. Een eeuwenoude ommuurde stad in een stad. Hoge smalle huizen, kleine ramen, ingemetselde heiligentaferelen en her en der een oude waterput. Onder een bruggetje stroomt De Dijle die in meerdere boeken van Jo Claes een belangrijke rol speelt. Ooit leefde hier een gemeenschap van begijnen; ongehuwde, semi-religieuze vrouwen, lees ik op een site. Nu wonen hier (gast)docenten en studenten. We zitten op een bankje en kijken naar het wuivend klaver op het veldje voor ons. Het is stil, misschien omdat het zondag is, maar het zou me niet verbazen als het hier altijd zo is. Ik fantaseer hoe ik hier een tijdje woon, met een fietsje voor de deur, zinnige zaken uitvoerend in de al net zo oude universiteit in het centrum. En hoe ik ‘s avonds op een bankje in deze stille stad een beetje voor me uit mijmer. Achter ons klingelt het angelusklokje. Het lichte geluid past hier wonderwel. Ik verbeeld me dat ik de ruisende rokken van de begijnen nog hoor. 
12 juni 2022

Vrienden
Fris gewassen en geurend naar zeep komen onze Marokkaanse vrienden de gemeenschappelijke kamer binnen en stiefelen rechtstreeks door naar de keuken. Voordat ze gingen douchen hebben ze de koelkast vol gepropt met groenten en veel kleine blikjes Fanta. Terwijl een paar jongens druk beginnen te hakken en snijden, komt een van hen gezellig bij ons op het puntje van de bank zitten. ‘We hebben de hele dag gewerkt,’ vertelt hij, terwijl hij ons een blikje Fanta in de handen duwt. In een plaatsje verderop en ze moesten erg vroeg op. Hij praat snel en ik heb moeite hem te verstaan. Maar hij is zo enthousiast dat we glimlachend luisteren. ‘We moeten het toch allemaal met elkaar doen’ denk ik te horen, en ‘ruzie heeft toch helemaal geen zin.’ De geur van komkommer drijft de kamer in. Een van de koks steekt zijn hoofd om de hoek. ‘Eten klaar,’ roept hij. Hij kijkt ons vragend aan. Lachend schudden we ons hoofd. Onze vriend springt overeind en loopt blij de keuken in. 
11 juni 2022

De klimop
‘Een Leffe blond,’ zuchten we eendrachtig als we op het terras van Maria-Theresa op het Martelarenplein in Leuven neerploffen. Schuin daar tegenover is De Klimop waar Thomas Berg, hoofdpersoon in de boeken van Jo Claes, ooit een maaltijd gebruikte. Hij is de reden dat we ons nu hier bevinden. En we hadden bij De Klimop willen eten, maar eenmaal voor de deur was de rioollucht niet te verdragen. Daarom zitten we aan de overkant waar Wiekie ons bedient. Ze heeft vanavond in haar eentje dienst, en dat bevalt haar wel. ‘Heb ik lekker alles voor mezelf,’ vertrouwt ze me toe als ik onze eerste gang afreken. Naast ons zitten twee oudere echtparen, genoeglijk aan bier en sap. Een oudere dame komt aanfietsen, strijkt voor ons neer, bestelt een biertje, drinkt het op en stapt weer op haar fiets. Op het terras naast het onze wordt een luid ‘lang zal hij  leven’ ingezet. Wij bestellen er nog een.
11 juni 2022 

Jazz
‘Vooral jazzmuziek speelde ik graag.’ Zijn linkerhand komt omhoog en hij draait denkbeeldige drumstokjes rond. ‘Toen kwam dat herseninfarct. Nu doet rechts niet meer wat ik wil.’ Hij staart een tikje weemoedig voor zich uit. ‘Maar ja,’ zegt hij dan en kijkt ons monter aan, ‘ik ben links. Vroeger, op school bonden ze mijn linkerhand vast en dwongen ze me om rechts te schrijven.’ Ik knik. Mijn hand werd niet vastgebonden, maar ook ik mocht alleen mijn rechterhand gebruiken. ‘En dus kunt u links en rechts goed gebruiken,’ zeg ik. Hij knikt, bijna triomfantelijk, ‘Ik heb het gewoon omgedraaid, wat eerst rechts deed, doet nu links.’ Hij zwijgt een tijdje. We zitten in de wachtkamer van het ziekenhuis. Zijn vrouw is net naar binnen geroepen en wij wachten op onze beurt. ‘Heeft u veel opgetreden?’ vragen we. Hij vertelt over concerten in Amsterdam, in Duitsland, in België en India. Zijn handen bewegen uitbundig mee. Ondertussen slaat hij gewoontegetrouw een roffel op zijn been. Hij straalt. 
8 juni 2022

Krullen
Er stormt een groep donkergekleurde jonge mensen de coupé binnen. Vrolijk en luidruchtig. Ze zijn zo in elkaar verdiept dat ze niet doorhebben hoe hun aanwezigheid de coupé door dendert. Ze praten in een taal die zo snel hun mond uit rolt dat het lijkt alsof er een versnelde opname wordt afgedraaid. ‘Alles goed mevrouw?’ vraagt de jongen tegenover me als hij ziet dat ik naar ze luister. Hij vertelt dat ze uit Eritrea komen. ‘Jullie praten zo snel,’ zeg ik en probeer ze na te doen. Ze lachen uitbundig. Ik lees, zij ratelen. ‘We hebben het over de liefde,’ zegt mijn overbuurman als ik even opkijk. ‘De liefde?’ ‘Hij heeft al veel ervaring,’ zegt het meisje naast me. ‘En jij?’ Ze schudt heel beslist haar hoofd. Zij niet. Ingenieus gevlochten vlechtjes zitten strak op haar hoofd gedraaid. ‘Hij heeft er al wel tien gehad,’ zegt ze terwijl ze naar de overkant wijst. Ik kijk naar hem. Hoe oud zou hij zijn? Zestien, zeventien? ‘Tien?’ vraag ik. Zijn donkere ogen lachen, zijn krullen lachen, zijn lichaam lacht. En zowaar, hij bloost zelfs een beetje. 
4 juni 2022

Sirenes
‘U klonk zo blij aan de telefoon toen u vertelde dat het boek was binnengekomen,’ zeg ik tegen de aardige jongeman in de boekwinkel. Hij lacht. ‘Ik wás ook blij,’ zegt hij. Hij legt iets uit over een misverstand met de leverancier en verkeerd gespelde namen, maar ik heb mijn oortjes niet in en versta slechts flarden. Bovendien komt er op dat moment een politieauto de hoek om met gillende sirenes. Hij rijdt zo ongeveer over de stoep voor de winkel langs en schiet met duizelingwekkende vaart aan de overkant de weg op. ‘Soms zou je oordopjes in willen doen,’ zegt de jongen terwijl we naar buiten kijken en de wagen volgen, ’het klinkt hier altijd zo hard.’ ‘Toch zou ik er ook weleens in willen zitten,’ zeg ik, ‘sirene aan en dan wild door de stad scheuren.’ Zijn collega die het boek voor me inpakt schiet in de lach. Ze heeft haar haar in een wrong op haar hoofd gedraaid. Op de een of andere manier doet het me aan vroeger denken. ‘Mijn moeder werkte vroeger op de ambulance,’ vertelt ze, ‘en soms wilden ze gewoon iets lekkers halen en dan gingen ze met gillende sirenes naar de banketbakker op de hoek.’ Ze kijkt lachend op en reikt me mijn pakketje aan. Grinnikend loop ik naar buiten. 
2 juni 2022

Stiltecoupé
We zitten in een stiltecoupé, maar ik geloof dat niemand de tekens op het raam heeft begrepen. Op de stoelen aan de andere kant van het gangpad zit een groep die ik inschat als Oostblok, maar die Zweeds spreken. Luid en duidelijk. Achter me zitten twee jonge meisjes die hun totale huidige leven uitwisselen. En verderop zit een groep kinderen die uitbundig spelletjes met elkaar spelen. Nu is het ook een beetje de schuld van de NS, want ze hebben potjandrie een piepklein treintje ingezet. En dat op vrijdagmiddag, tussen Hemelvaartsdag en het weekend. De mannen voor mij beginnen voor de gezelligheid ook maar een gesprek. Ik pak mijn boek en begin te lezen, hardop. De vrouw rechts schuin voor me pakt háár boek, knipoogt naar me en begint ook te lezen. Zo mogelijk nog harder dan ik. 
27 mei 2022

Afscheid
Ik kan niet zo lang staan,’ zegt hij, ‘zullen we daar even op een bankje gaan zitten?’ Hij wijst naar een bankje iets verderop met uitzicht op een speeltuintje. Ik ben op weg naar een afscheidsdienst en zoals gewoonlijk ben ik verdwaald. Maar als ik me haast kan ik het officiële deel nog halen. Als we eenmaal op het bankje zitten, pakt hij mijn uitnodiging, ziet het adres en begint naarstig te scrollen op zijn mobiel. ‘U zit helemaal verkeerd,’ zegt hij, ‘als u echt het hele eind wilt lopen dan bent u nog wel tweeëneenhalf uur onderweg.’ Hij kijkt mij bijna triomfantelijk aan. ‘Ik ga u even tegenspreken,’ zeg ik, want ik heb vooraf kaart en adres bestudeerd en ik weet zeker dat het niet zo ver weg was. ‘Tunneltje onderdoor en dan loop je er zo naar toe,’ zei iemand gisteren nog. De man met de rollator bekijkt de uitnodiging zorgvuldig. ‘U bent nu toch al te laat,’ zegt hij. ‘Maar misschien kunt u met de familie mee als ze aan het eind van de bijeenkomst de kist wegbrengen?’ ‘Ik ben helemaal geen familie,’ zeg ik en kijk op mijn horloge. Hij begint opnieuw te zoeken. ‘Misschien hebt u wel gelijk,’ zegt hij dan weifelend. Hij staart even voor zich uit. ‘Ik heb wel een ideetje,’ zegt hij dan, ‘maar ik zeg er van tevoren bij dat het waarschijnlijk niet gaat lukken.’ Hij wacht een tijdje, aarzelt. ‘Ik woon hier vlakbij, we zouden naar mijn huis kunnen lopen. Dan kan ik mijn vrouw vragen of ze u even wil brengen. Het is alleen zo,’ hij wacht weer even, ‘dat mijn vrouw bezoek heeft.’ Hij kijkt mij afwachtend aan. Ik lach. ‘Ik vind het ontzettend lief van u,’ zeg ik, ‘maar ik denk dat ik gewoon ga lopen. Als ik nu vertrek, dan ben ik maar een kwartiertje te laat.’ Hij steekt zijn hand naar me uit. ‘Dank u wel,’ zegt hij en kijkt me stralend aan. Ik pak zijn hand, bedank hem en begin te lopen.
18 mei 2022

Vrijheid
Ze vertelt hoe ze in de klas zat en de directeur binnenkwam. ‘Het is oorlog,’ zei hij, ‘de Serviërs hebben ons aangevallen.’ Ze schuilden in de kelder, haar beste vriendin die christen was en zij, moslim, dicht bij elkaar. ‘Ik begreep er niets van. De politieke partijen hadden ruzie, maar waarom konden ze dat niet oplossen. Wat hadden mijn vriendinnetje en ik daarmee te maken?’ Ze was 14 jaar, had plannen, dacht na over wat ze wilde studeren. En ineens was alles anders. 
Vandaag staat ze als wethouder voor de groep. We ronden een project af over vrijheid. Ze is lang, met dik donker haar en bruine levendige ogen. De kinderen in de zaal hangen aan haar lippen, de volwassenen luisteren stil. Ze verdwijnt even in haar herinnering. Maar dan richt ze zich op en kijkt glimlachend de zaal in. ‘Er gebeurden ook goede dingen. Mensen die elkaar hielpen, terwijl ze misschien wel vijanden waren.’ Een lichte zucht van verlichting gaat door het publiek. ‘Ik moet ook wat hoop meegeven,’ zegt ze later tegen me, ‘dat is minstens zo belangrijk.’ Ze kijkt me aan, een tikje droeve lach om haar lippen, pakt de stift en schrijft met mooie letters op de banier die voor haar ligt: ‘Vrijheid is jezelf kunnen zijn met respect voor de ander en het andere’. 
26 april 2022

Heerenzijl
De Heerenzijlbrug verbindt het Sneekermeer en de Terkaplester Poelen met elkaar. Vlak voor de brug was vroeger een rommelige parkeerplaats. ‘We namen stoeltjes en koffie en wat broodjes mee,’ vertelt mijn moeder, ‘en dan zaten we daar de hele middag heerlijk aan het water.’ Ze lacht terwijl ze erover vertelt. Mijn vader wordt weer even levend en zit naast haar aan het water. Vaag herinner ik me dat er op die parkeerplaats een kiosk was, een hokje dat zomerdag open was en waar je waarschijnlijk ijsjes kon kopen. Die wij uiteraard nooit kochten. Ik ken de brug en de meren van fietsen of zeilen. Ooit kampeerde ik met vriendinnen op een camping iets verderop. Dit is mijn geboortegrond. De parkeerplaats is er nog steeds, de kiosk is uitgegroeid tot een klein eethuis waar we vandaag met een groot deel van de familie de trouwdag van mijn ouders vieren. Af en toe kijk in naar buiten. Aan de rand van het meer staat een grote gele bol dat een hot-tube blijkt te zijn. De waard van het eethuis is druk bezig om het kacheltje dat op het bad is aangesloten te vullen met hout. Even later komen een man en een vrouw, gehuld in dikke handdoeken naar buiten. Onder de handdoeken zitten zwembroek en bikini. Onder grote belangstelling van alle bezoekers van het eethuis, laten ze zich voorzichtig in het warme water glijden. Vanwaar ze zitten kijken ze uit over het Sneekermeer. ‘Is het lekker,’ vraag ik, als ik even later aan de rand van het water sta.’ Heerlijk,’ zeggen ze in koor terwijl ze van hun glaasje nippen. Op de steiger staat mijn broer, handen in de zakken, verzonken in de verte, zoals ook mijn vader dat kon doen of mijn andere broers of ik. De zon schijnt en ik voel hoe ik hoor bij dit lege ruime land. Hoog boven ons vliegt een vlucht kwetterende aalscholvers over. 
12 februari 2022

Post
‘Houd je brievenbus in de gaten,’ schreef ze me al weer weken geleden. Daar denk ik helemaal niet aan als ik vanmiddag de deur uit ga. Ik heb de merkwaardige gewoonte ontwikkeld om te pas en te onpas even in de brievenbus te kijken, je weet immers maar nooit. Zelfs op maandag als er geen post komt of ’s avonds laat als de post al lang is geweest. En als er dan niets ligt ben ik toch steeds een tikje teleurgesteld. Regelmatig dwaalt de tekst van de Utrechtse dichteres Virginie Driessen door mijn hoofd.

er was vandaag 
geen post voor mij 
en daardoor lijkt het net 
of ik niet helemaal besta

Hoe toepasselijk. Maar vanmiddag is het anders. Het loopt tegen vieren, het schemert al. Ik zeul een vuilniszak naar de afvalcontainer en kijk op de terugweg gewoontegetrouw even door de klep van de brievenbus. Mijn hart maakt een minisprongetje: Er ligt iets! Het is groter dan een brief en verpakt in papier met rode hartjes, het lijkt me een boekje. Ik denk onmiddellijk aan haar, dat kan niet missen: Brievenbus, boekje, hartjes.Thuis pak ik het geschenk uit en bekijk alles zorgvuldig. Ik glimlach om de postzegel met de twee poesjes die mij nog een extra wens meegeven. Er zit natuurlijk een dichtbundel in het pakje. Wat ben ik toch een geluksvogel; ik houd enorm van gedichten en ik krijg ze zomaar cadeau! De vogel in mijn hoofd wil vliegen staat er op de voorkant van het bundeltje. Iets van de grijze dag lost op. 
18 januari 2022

Walnoten
Als ik in volle vaart naar de broodafdeling storm zie ik in mijn ooghoek een mandje waarin walnoten te koop liggen. Er flitsen beelden door mijn hoofd. Ik zie hoe mijn vader de walnoten met handenvol tegelijk uit de achtertuin raapt. Hoe ze wekenlang op oude kranten liggen te drogen boven het roostertje van de vloerverwarming. Hoe hij ze, als ze droog zijn, in kleine porties verdeelt en in plastic zakjes stopt. Daarna is het wachten tot wij komen. Ieder jaar nam ik zo’n zakje mee naar huis. Ik kocht een goede notenkraker om het mezelf gemakkelijker te maken. Tot ver in het voorjaar lagen de noten in een zorgvuldig uitgezocht schaaltje in de keuken te wachten. Tot ik in een moment van vastberadenheid alle noten kraakte, ze in een potje deed voor later gebruik en het schaaltje en notenkraker opborg, klaar voor volgend jaar. Ik draai me om, loop terug, pak een zakje en vul het glimlachend met walnoten. 
18 november 2021

Aap uit de mouw
‘Als ik uw gegevens invoer, krijgt u gratis een nieuwe opgestuurd.’ De oude afstandsbediening is er ineens mee opgehouden en nu sta ik een beetje onhandig te kijken naar alle mogelijke nieuwe exemplaren. Ik heb geen idee wat ik nodig heb en vraag raad bij een jonge jongen die hier werkt. Hij levert me meteen af  bij zijn net zo jonge collega die alles van afstandsbedieningen weet. Terwijl deze mij door de aanvraag loodst wordt hij opgepiept. ‘Ik moet heel even verderop helpen,’ zegt hij en verdwijnt in de enorme winkel. Nog geen vijf minuten later is hij weer terug. ‘Ik moest even tolken,’ grijnst hij, ‘ze kennen daar geen Turks en ik ben Turk. ‘Is het gelukt?’ vraag ik terwijl ik geniet van zijn glanzende ogen. Hij knikt blij: ‘We hebben de aap uit de mouw gehaald.’ 
10 december 2021

Troost
Het is net half negen geweest en het schemert nog. We staan met een klont fietsers te wachten voor het rode stoplicht. We dijen uit naar links en rechts. We staren een beetje voor ons uit, tassen op de rug, hangend aan de fiets, of in onhandige kratjes voorop. Allemaal onderweg naar werk, school of trein. Naast me stopt een stevig gebouwde man met dikke jas en muts. Hij kijkt rustig om zich heen en groet mij vriendelijk. Hij draagt geen tas, hij lijkt geen haast te hebben. Onder de snelbinders  van zijn bagagedrager ligt, op de accu, een klein aluminium pakje. Het is waarschijnlijk zijn lunchpakket, een paar boterhammen of wie weet een roti gisteravond nog gebakken. Ik kijk naar het pakje. Het ontroert me al begrijp ik niet precies waarom. Dan springt het stoplicht op groen, de meute lost op en de man en zijn pakje verdwijnen aan de overkant van de straat.
15 december 2021

De traanjagers
In ‘De traanjagers’ van Anne-Goitske Breteler lees ik dat walvisvaarders nog actief waren in Nederland tot 1964. Zij komt erachter omdat ze een tijdje in café De Bûnte Bok werkt, waar een schilderij hangt waarop een walvisvaarderschip op een onstuimige zee vaart. Ze gaat op onderzoek uit en interviewt een aantal oude walvisjagers. Stoere Friezen die met een mengeling van melancholie en schroom vertellen over die jaren dat ze jong waren en walvisvaart nog gelijk stond aan heldendom. Ik denk met een vleugje weemoed aan mijn vader die waarschijnlijk van deze verhalen had genoten. Mijn vader, Fries, stoer maar absoluut geen visser of zeeman, laat staan een held. Ik stel me voor dat we op een mistige dag naar Lioessens rijden, waar we naar wat zoeken (want we verdwalen ieder op onze eigen manier) het café vinden. We gaan naar binnen, kijken om ons heen en gaan zitten aan een tafeltje met een Perzisch lopertje. We bestellen een borreltje en proosten. Ondertussen kijken we naar het schilderij. ‘Het valt me niet mee,’ zal hij zeggen en ik zal dat tegenspreken. We raken in gesprek met de kastelein wiens vader of opa nog jager was. Uit een laatje zal hij een foto tevoorschijn halen waarop een trotse jonge man poseert naast het enorme karkas van een walvis. Het schemert als we weer terug rijden. We zeggen niet veel, maar glimlachen stilletjes voor ons uit.
26 oktober 2021